|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/4206 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
’s-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie
van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de
Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente ’s-Gravenhage ingetrokken.
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie
Sociale Zekerheid van de gemeente
’s-Gravenhage.
Namens appellant heeft mr. M.H. Samama, advocaat te ’s-Gravenhage,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
’s-Gravenhage van 8 juli 2003, reg.nr. 02/04317 ABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 maart 2005, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Samama en waar gedaagde zich
- met voorafgaand bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de
aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 6 augustus 2002, reg.nr. 00/3195 NABW, heeft gedaagde bij besluit van 10 oktober 2002
opnieuw op het bezwaar van appellant beslist en daarbij het bezwaar
ongegrond verklaard en de weigering om terug te komen van de besluiten
van 12 januari 1994, 23 mei 1995, 1 september 1997 en 2 oktober 1997
gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 10
oktober 2002 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met
artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en bepaald
dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit in stand zijn gelaten met betrekking tot het besluit
van gedaagde om niet terug te komen van de - oorspronkelijke - besluiten
van 12 januari 1994 en 23 mei 1995.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient de bestuursrechter in
geval van een herhaalde aanvraag het oorspronkelijke besluit tot
uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of
sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo
ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het
oorspronkelijke besluit te herzien.
Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant strekt ertoe dat
gedaagde van de oorspronkelijke besluiten van 12 januari 1994 en 23 mei
1995 terugkomt en aan appellant alsnog bijstand ten behoeve van de
noodzakelijke kosten van het bestaan verleent. Ter ondersteuning van
zijn verzoek heeft appellant aangevoerd dat hij met het besluit van de
Staatssecretaris van Justitie van 28 augustus 1997 achteraf bezien, ten
tijde hier van belang, wel met instemming van het bevoegde gezag in
Nederland verbleef. Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel
dat het daarbij op zichzelf om een nieuw gebleken feit gaat. Naar het
oordeel van de Raad hoefde dat voor gedaagde echter geen aanleiding te
vormen de oorspronkelijke besluiten te herzien. De Raad acht hierbij van
belang dat niet is gebleken dat in de onderhavige periode niet is
voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Van het ontstaan in
die periode van aantoonbare schulden, waaraan daadwerkelijk een
verplichting tot terugbetaling is verbonden, is niet gebleken. De Raad
verwijst in dezen naar zijn vaste rechtspraak.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De
aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, komt voor bevestiging in
aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van L. Jörg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 april 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) L. Jörg.
|
|