|
Uitspraak
03/1099
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29
januari 2003, reg.nr. 00/999 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met de gedingen met de reg. nrs. 03/1101 NABW en
03/1102 NABW, behandeld ter zitting van 22 februari 2005, waar voor appellant is verschenen mr. J.L. Crutzen,
kantoorgenoot van mr. Brauer, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door M. Gijssen, werkzaam bij de gemeente Meerssen. Na
de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer
gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant is eigenaar van de door hem bewoonde woning. Hij ontvangt
sinds jaren bijstand, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande.
Op 28 januari 1998 heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand
ingediend voor onder meer de kosten van reparatie of vervanging van het
toilet en de kosten van (groot) onderhoud van zijn woning.
Bij besluit van 14 mei 1998, voorzover van belang, heeft gedaagde de
aanvraag betreffende het toilet afgewezen op de grond dat de kosten
daarvan behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en
dienen te worden voldaan uit de eigen middelen door reservering dan wel
door gespreide betaling. De aanvraag betreffende het onderhoud van de
woning is afgewezen onder verwijzing naar een besluit van april 1997 en
de vaststelling dat er sindsdien geen wijziging in de omstandigheden
heeft plaatsgevonden.
Het tegen het besluit van 14 mei 1998 gemaakte bezwaar is, voorzover van
belang, bij besluit van 3 november 1998 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 september 1999 heeft de rechtbank, onder bepalingen
omtrent het griffierecht en de proceskosten, het beroep tegen het
besluit van 3 november 1998 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en
gedaagde opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met
inachtneming van het in haar uitspraak overwogene.
Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep bij de Raad doen
instellen.
Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 28 september 1999
heeft gedaagde op 29 februari 2000 een nieuw besluit op het bezwaar van
appellant tegen het besluit van 14 mei 1998 genomen. Het bezwaar is
wederom ongegrond verklaard.
De Raad heeft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de
rechtbank van 28 september 1999 mede gericht geacht tegen het besluit
van gedaagde van 29 februari 2000.
Bij brief van 22 mei 2002 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.
Intussen had appellant op 29 augustus 1999 andermaal een aanvraag
ingediend om bijzondere bijstand in de kosten van onderhoud van zijn
woning en een toilet.
Bij besluit van 23 november 1999 heeft gedaagde die aanvraag onder
verwijzing naar de besluiten van april 1997 en 14 mei 1998 afgewezen.
Het tegen het besluit van 23 november 1999 gemaakte bezwaar is bij
besluit van 22 mei 2000 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een bepaling
omtrent het griffierecht, het beroep tegen het besluit van 22 mei 2000
gegrond verklaard voorzover dit betrekking had op de aangevraagde
bijzondere bijstand ten behoeve van de kosten van het toilet, dat
besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit
deel van het besluit in stand blijven. Voor het overige is het beroep
ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd
voorzover het beroep daarbij ongegrond is verklaard en is bepaald dat de
rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 22 mei 2000
in stand blijven.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is
bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking
een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw
gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het
tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of
veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan
artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn
eerdere afwijzende besluit.
Bij besluit van 14 mei 1998 heeft gedaagde afwijzend beslist op een
aanvraag van appellant om bijzondere bijstand in de kosten van onderhoud
van zijn woning en van een toilet. Die afwijzing is in rechte
onaantastbaar geworden omdat appellant het hoger beroep tegen de
uitspraak van de rechtbank van 28 september 1999, welk hoger beroep werd
geacht mede gericht te zijn tegen het besluit van gedaagde van 29
februari 2000, heeft ingetrokken.
In het kader van de nieuwe aanvraag van 29 augustus 1999 om bijzondere
bijstand in de kosten van onderhoud van zijn woning en van het toilet
heeft appellant een uiteenzetting gegeven over (de ontstaansgeschiedenis
van) zijn zeer slechte financiële situatie die er toe heeft geleid dat
er jarenlang geen onderhoud aan zijn woning is verricht zodat sprake is
van zeer ernstig achterstallig onderhoud. Daarbij gaat het echter niet
om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van
artikel 4:6 van de Awb omdat die situatie ook in 1998 en daarvoor al
bestond.
Gedaagde was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede
lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die
beslissing te volstaan met te verwijzen naar zijn eerdere
besluitvorming. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen
grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid
gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in
strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een
algemeen rechtsbeginsel.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden
bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad, ten slotte, geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en
mr. C. van Viegen en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid
van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10
mei 2005.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) P.C. de Wit.
|
|