|
Uitspraak
03/2297
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Kompas,
Gemeentelijk collectief voor werk, inkomen & zorg, gevestigd te Nuth,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 9
april 2003, reg.nr. 02/1631 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 29 maart 2005, waar appellant
niet is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
F.H.M. Limpens, werkzaam bij Kompas.
II. MOTIVERING
De Raad gaat, gelet op de gedingstukken, uit van de volgende in dit
geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft op 6 mei 2002 een aanvraag ingediend om bijstand
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 5 mei 2002. Deze
aanvraag heeft geleid tot het besluit van 25 juni 2002, waarbij gedaagde
de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) buiten behandeling heeft gelaten op de grond dat
appellant niet uiterlijk op 17 juni 2002 de nadere gegevens heeft
verstrekt waarom gedaagde bij brief van 29 mei 2002 had verzocht.
Bij besluit van 22 november 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 25 juni 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voorzover hier van
belang, het beroep tegen het besluit van 22 november 2002 ongegrond
verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep, in zoverre, gemotiveerd tegen de
aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt naar aanleiding daarvan tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan
besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft
voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van
de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende
zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de
beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een
door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen.
Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is
onder meer sprake van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag, indien
onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt die een goede
beoordeling van de aanvraag mogelijk maken. Daarbij gaat het, gelet op
artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing
op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de
beschikking kan krijgen.
Appellant is bij de brief van 29 mei 2002 in de gelegenheid gesteld zijn
aanvraag (van 6 mei 2002) aan te vullen met onder meer gegevens over de
waarde van drie motoren uit 1928/1929, 1957 en 1978. De Raad is van
oordeel dat gedaagde terecht om deze gegevens heeft verzocht, nu die
noodzakelijk zijn om te kunnen beoordelen of appellant recht op bijstand
had. Appellant is vervolgens in zoverre te kort geschoten, dat hij niet
uiterlijk op 17 juni 2002 aan gedaagde de gevraagde informatie heeft
verstrekt.
Appellant heeft aangevoerd dat hij, nadat gedaagde hem om gegevens over
de waarde van de motoren had verzocht, die motoren van de hand heeft
gedaan binnen de door gedaagde voor het aanvullen van de aanvraag
gestelde termijn en dat hij ervan uitging dat de waarde van de motoren
daarom geen rol meer zou spelen bij de beoordeling van het recht op
bijstand. Toen hem duidelijk werd dat gedaagde zijn verzoek handhaafde,
kon appellant de gevraagde gegevens niet meer (tijdig) verstrekken. Deze
omstandigheden brengen naar het oordeel van de Raad echter niet mee dat
appellant in de onmogelijkheid heeft verkeerd de gevraagde gegevens
uiterlijk op 17 juni 2002 aan gedaagde te verstrekken. Appellant heeft
immers de situatie dat hij de gevraagde gegevens niet tijdig kon
verstrekken, zelf in het leven geroepen.
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat gedaagde bevoegd was
om de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen.
Anders dan appellant veronderstelt, staat daar niet aan in de weg dat
gedaagde, indien de gevraagde gegevens wel tijdig zouden zijn verstrekt,
toch niet tot een inhoudelijk besluit op de aanvraag zou hebben kunnen
komen.
Voorts kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot het
buiten behandeling stellen van de aanvraag heeft kunnen komen. De
omstandigheid dat appellant gedaagde te kennen heeft gegeven dat de
motoren een geringe waarde vertegenwoordigen, brengt niet mee dat
gedaagde geen juist gebruik van zijn bevoegdheid heeft gemaakt.
Gelet op het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak, voorzover
aangevochten, te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|