|
Uitspraak
03/521
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. R.H.M. Ch. Libotte, advocaat te Maastricht,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht
van 23 december 2002, reg.nr. 02/326 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 29 maart 2005, waar appellant -
met voorafgaand bericht - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door L.B.W. Heuts, werkzaam bij de gemeente
Maastricht.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad, gelet op de gedingstukken, naar de
aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellant ontvangt sedert geruime tijd een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw).
Bij besluit van 18 augustus 1999 heeft gedaagde aan appellant een
maatregel opgelegd van 10% gedurende één maand op de grond dat
appellant niet naar vermogen heeft getracht arbeid in loondienst te
verkrijgen.
Bij besluit van 8 augustus 2000 heeft gedaagde aan appellant een
maatregel opgelegd van 10% gedurende twee maanden, eveneens op de grond
dat appellant niet naar vermogen heeft getracht arbeid in loondienst te
verkrijgen. Gedaagde heeft daarbij rekening gehouden met het feit dat
sprake is van recidive.
Op basis van de resultaten van het heronderzoek van 13 juli 2001 heeft
gedaagde geconcludeerd dat appellant in de periode van 1 juli 2000 tot
en met 30 juni 2001 geen sollicitaties heeft verricht. Bij besluit van 1
november 2001 heeft gedaagde aan appellant een maatregel opgelegd van
20% gedurende twee maanden met ingang van 1 oktober 2001, wederom op de
grond dat appellant niet naar vermogen heeft getracht arbeid in
loondienst te verkrijgen. Gedaagde heeft daarbij overwogen de gedraging
van appellant zeer ernstig te achten, aangezien sprake is van herhaling
op herhaling van verwijtbare gedragingen binnen een periode van 36
maanden.
Bij besluit van 21 januari 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 1 november 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 21 januari 2002 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad komt naar aanleiding daarvan tot de volgende beoordeling.
Artikel 14, eerste lid, van de Abw bepaalt, voorzover hier van belang,
dat indien de belanghebbende een op grond van hoofdstuk VIII van de Abw
aan de bijstand verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is
nagekomen, burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of
gedeeltelijk weigeren. In artikel 14, tweede lid, van de Abw is bepaald
dat een maatregel als bedoeld artikel 14, eerste lid, van de Abw, wordt
afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende
de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij
verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien
indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. In artikel 14, vijfde
lid, van de Abw is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere
regels kunnen worden gesteld. De desbetreffende algemene maatregel van
bestuur is het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz
(Maatregelenbesluit).
Ten tijde in geding waren de verplichtingen, bedoeld in artikel 113,
eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Abw (welk artikel
deel uitmaakt van hoofdstuk VIII van de Abw), op appellant van
toepassing. Vaststaat dat appellant in de periode van 1 juli 2000 tot en
met 30 juni 2001 geen sollicitaties heeft verricht. De Raad is, gelet
hierop, van oordeel dat appellant niet naar vermogen heeft getracht
arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen en dat gedaagde in beginsel dan
ook gehouden was een maatregel toe te passen.
De situatie waarin elke vorm van verwijtbaarheid met betrekking tot de
gedraging ontbreekt, doet zich in dit geval niet voor. De omstandigheid
dat appellant een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars (Wik) heeft ingediend, ontsloeg hem niet
van de verplichting tot het verrichten van sollicitaties. Uit de
gedingstukken komt bovendien naar voren dat de aanvraag van appellant
inzake de Wik reeds in de periode voorafgaand aan die waarover de
onderhavige verwijtbare gedraging zich heeft uitgestrekt, door gedaagde
is afgewezen.
Ingevolge artikel 3, aanhef en onder 2º, onderdeel a, en artikel 5,
eerste lid, aanhef en onder b, van het Maatregelenbesluit wordt in het
geval sprake is van het niet naar vermogen trachten arbeid in
dienstbetrekking te verkrijgen, de weigering van bijstand vastgesteld op
10% voor de duur van één maand. Aangezien is gebleken dat binnen een
periode van twaalf maanden na een vorige als verwijtbaar aangemerkte
gedraging wederom sprake is geweest van een verwijtbare gedraging als
hiervoor bedoeld, is ter zake van die gedraging toepassing van artikel
5, tweede lid, van het Maatregelenbesluit (de recidivebepaling)
aangewezen.
Met betrekking tot de hoogte en de duur van de opgelegde maatregel
overweegt de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 12 maart
2002 (gepubliceerd in JABW, 2002/59, RSV 2002/123 en USZ 2002/125), dat
op grond van het in artikel 14, tweede lid, van de Abw neergelegde
afstemmingsvereiste kan worden afgeweken van de in het Maatregelenbesluit voorgeschreven standaardmaatregelen. Dit kan er in specifieke
situaties toe leiden dat een zwaardere dan wel een lichtere maatregel
dan de standaardmaatregel is aangewezen, waarbij de afwijking betrekking
kan hebben op de hoogte en/of de duur van de maatregel. De op te leggen
maatregel mag evenwel niet in strijd komen met het algemeen
rechtsbeginsel dat evenredigheid dient te bestaan tussen de maatregel en
de ernst van de gedraging.
De Raad acht, met de rechtbank, de in dit geval opgelegde maatregel van
20% voor de duur van twee maanden met het voorgaande niet in strijd.
Hierbij heeft de Raad betrokken dat na de eerdere verwijtbare
gedragingen appellant in een negatieve houding ten aanzien van de
inschakeling in het arbeidsproces heeft volhard. Blijkens de
gedingstukken heeft appellant gedurende een periode van 36 maanden geen
sollicitaties verricht.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Abw,
op grond waarvan gedaagde van het opleggen van een maatregel kan afzien,
is de Raad niet gebleken.
Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat het opnemen van
maatregelen in het Maatregelenbesluit niet in strijd is met artikel 89
van de Grondwet. Een maatregel als de onderhavige is immers geen straf
als bedoeld in artikel 89 van de Grondwet.
Dat als gevolg van het opleggen van de maatregel sprake is van een
belemmering in het uitoefenen van het recht op vrije keuze van arbeid,
kan de Raad niet onderschrijven. Met het opleggen van de onderhavige
maatregel wordt immers niet meer of anders beoogd dan dat appellant zich
in de richting van de arbeidsmarkt actief opstelt zodat hij (weer) zelf,
hetzij door middel van zelfstandige arbeid hetzij door arbeid in
dienstbetrekking, zal kunnen voorzien in de kosten van het bestaan.
Daarmee belemmert gedaagde appellant geenszins in de feitelijke
uitoefening van het recht op vrije keuze van arbeid. Anders dan
appellant heeft bepleit, ziet de Raad geen grond voor het stellen van
een of meer prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
In hetgeen overigens door appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen
grond om tot een ander oordeel te komen.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Nu de ongegrondverklaring van het beroep door de rechtbank in stand
blijft, is voor een veroordeling tot schadevergoeding geen ruimte. Het
verzoek daartoe van appellant dient daarom te worden afgewezen.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|