|
Uitspraak
04/1233
NABW en 04/1234 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr. I. Petkovski, advocaat te Deventer, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 22
januari 2004, reg.nr. 03/528 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 5 april 2005, waar appellanten -
met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door mr. M. Rijs, werkzaam bij de gemeente
Deventer.
II. MOTIVERING
De Raad gaat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting,
uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
Op 27 september 2002 hebben appellanten een aanvraag ingediend om
bijzondere bijstand in de reiskosten in verband met één
ziekenhuisbezoek aan en het bijwonen van de begrafenis van de grootvader
van appellante.
Bij besluit van 4 november 2002, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van
25 maart 2003, heeft gedaagde de aanvraag van appellanten afgewezen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 25 maart 2003 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 39, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw)
heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand
voorzover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit
bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het
bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders
niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk
IV, afdeling 1, paragrafen 2 en 3, van de Abw, en de aanwezige
draagkracht.
Ten aanzien van de hier aan de orde zijnde kosten is de Raad met
gedaagde van oordeel dat het incidenteel voorkomende algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan betreft, die in beginsel dienen te
worden bestreden uit de bijstandsnorm. Afzonderlijke bijstandsverlening
in deze kosten is niet mogelijk, tenzij de kosten noodzakelijk zijn als
gevolg van bijzondere omstandigheden in het individuele geval, die ertoe
leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige
draagkracht kunnen worden voldaan. Van dergelijke omstandigheden is
evenwel niet gebleken.
In dit verband heeft gedaagde bij zijn afwijzing tevens betrokken het
beleid aangaande “Reiskosten in verband met bezoek zieke
familieleden”. Ingevolge dat beleid is er, zoals ter zitting van de
Raad namens gedaagde is bevestigd, voor verlening van bijzondere
bijstand slechts plaats indien sprake is van structurele kosten.
Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat geen
sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke
kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de
Abw, zodat voor verlening van bijzondere bijstand in de hier besproken
kosten geen plaats is.
Ter zake van het beroep dat appellanten hebben gedaan op het
vertrouwensbeginsel overweegt de Raad dat dit slechts kan slagen, indien
door of namens een tot beslissen bevoegd bestuursorgaan ten aanzien van
een aanvrager uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd
toezeggingen zijn gedaan die bij die aanvrager gerechtvaardigde
verwachtingen hebben gewekt. Appellanten hebben in dit verband
aangevoerd dat zij naar aanleiding van het lezen van een folder van
gedaagde over bijzondere bijstandsverlening advies hebben gevraagd aan
een consulent van de sector Sociale Voorzieningen van de gemeente
Deventer en mede naar aanleiding van dit advies de aanvraag hebben
ingediend. Naar het oordeel van de Raad kan noch de folder - waaraan in
het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend - noch het gesprek met
de consulent worden aangemerkt als een toezegging, gedaan door of namens
het tot beslissen bevoegde bestuursorgaan, zodat het beroep op het
vertrouwensbeginsel faalt.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. J.M.A.
van der Kolk-Severijns en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in
tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 17 mei 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) M. Pijper.
|
|