|
Uitspraak
03/4946
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. E.H. Jansen, werkzaam bij Rechtshulp Noord,
Bureau te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Groningen van 26 augustus 2003, reg.nr. 02/654 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 12 april 2005, waar appellant in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Jansen, en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door mr. H. Blokzijl, werkzaam bij
gedaagde.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Aan appellant is bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend,
laatstelijk per 1 augustus 1996 op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).
Vanwege het hebben verzwegen van vermogen boven de toepasselijke grens
van het vrij te laten vermogen heeft gedaagde bij besluit van 2 november
2001 het recht op bijstand van appellant over de periode van 3 maart 1999 tot en met 14 maart 2000 herzien (lees: ingetrokken) en de
over die periode gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van f
22.205,11 van hem teruggevorderd.
Bij besluit van 7 juni 2002, voorzover hier van belang, heeft gedaagde
het bezwaar tegen het besluit van 2 november 2001 gedeeltelijk gegrond
verklaard wat betreft de toepasselijke vermogensgrens en voor het
overige in stand gelaten.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 7 juni 2002 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Appellant heeft op 3 maart 1994 een spaarlease-overeenkomst voor een
pakket aandelen gesloten met Legio-Lease BV. De Raad deelt het oordeel
van de rechtbank en gedaagde dat appellant hiervan geen mededeling heeft
gedaan aan gedaagde en dat hij mitsdien de in artikel 65, eerste lid,
van de Abw bedoelde inlichtingenverplichting geschonden heeft. Van de
beweerde contacten hierover met een medewerker van gedaagde heeft
appellant geen (begin van) bewijs aangedragen. Ook deelt de Raad het
oordeel dat op grond van artikel 3 van deze lease-overeenkomst het
aandelenpakket op 3 maart 1999 kon worden afgekocht. De stelling van
appellant dat voor hem een latere datum gold wordt niet met bewijzen
gestaafd. Blijkens de gedingstukken waren de aandelen op 3 maart 1999 f
37.233,-- waard, waarmee de destijds voor appellant geldende grens van
het vrij te laten vermogen ad f 9.850,-- werd overschreden.
Voornoemd aandelenpakket is naar het oordeel van de Raad aan te merken
als een vermogensbestanddeel waarover appellant op 3 maart 1999
redelijkerwijs kon beschikken en dat ingevolge artikel 42 van de Abw tot
zijn middelen diende te worden gerekend. Ingevolge artikel 51, eerste
lid, aanhef en onder b, van de Abw wordt volgens vaste jurisprudentie
van de Raad ook een stijging van de waarde van een aandelenpakket als
vermogen aangemerkt. Hierbij dient te worden uitgegaan van de actuele
waarde van de in bezit zijnde aandelen, waaraan - in tegenstelling met
hetgeen namens appellant is betoogd - een latere waardedaling niet kan
afdoen.
Nu de waarde van het aandelenpakket op 3 maart 1999 ruimschoots uitsteeg
boven de in artikel 54 van de Abw vermelde vermogensgrens vormde dit
vanaf die datum een beletsel voor bijstandsverlening. Ten gevolge van de
schending van de inlichtingenverplichting heeft appellant vanaf die
datum ten onrechte bijstand ontvangen en was gedaagde op grond van
artikel 69, derde lid, onder a, van de Abw gehouden tot intrekking van
het recht op uitkering over te gaan. Van dringende redenen om geheel of
gedeeltelijk van intrekking van het recht op bijstand over de in geding
zijnde periode af te zien is de Raad niet gebleken. Gedaagde heeft die
periode onder toepassing van een voor andere situaties geldende
interingsnorm beperkt tot het tijdvak van 3 maart 1999 tot en met 14
maart 2000, waarmee appellant zeker niet tekort is gedaan.
Met het vorenstaande is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor
toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde
gehouden was over te gaan tot terugvordering van de gemaakte kosten van
bijstand over de periode van 3 maart 1999 tot en met 14 maart 2000. Van
dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te
zien is de Raad niet gebleken.
Naar aanleiding van het beroep namens appellant op het verbod van
reformatio in peius merkt de Raad op dat hiervan naar zijn oordeel geen
sprake is, nu gelet op het vorenstaande er voor gedaagde - los van de
bezwaarschriftprocedure - een wettelijke gehoudenheid bestond om tot de
onderhavige terugvordering over te gaan.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van
mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 24 mei 2005.
(get). R.M. van Male.
(get). A.H. Polderman-Eelderink.
|
|