|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/263 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2003,
reg.nrs. 03/5233 NABW en 03/4389 NABW.
Bij brief van 5 april 2004 heeft mr. H.D. van de Roemer, advocaat te
Amsterdam, zich als gemachtigde van appellante gesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 april 2005, waar appellante
niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen
door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellante als verzoekster is
aangeduid en gedaagde als verweerder - ontleent de Raad de volgende in
dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden:
“Verzoekster, van Armeense afkomst, heeft een aanvraag gedaan voor het
volgen van een opleiding tot computerprogrammeur met behoud van haar
uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Verweerder heeft
deze aanvraag afgewezen. Bij het thans bestreden besluit heeft
verweerder het bezwaar tegen de afwijzing van verzoekster ongegrond
verklaard. Verweerder heeft daarbij overwogen dat verzoekster de
Nederlandse taal onvoldoende beheerst om een opleiding in de IT-branche
te kunnen volgen. Voor de beoordeling van de noodzaak van
beroepskwalificerende scholing ligt de verantwoordelijkheid bij
Arbeidsvoorziening, in het geval van verzoekster bij Maatwerk
Amsterdam. Blijkens een rapportage van Maatwerk van 27 februari 2003
beheerst verzoekster de Nederlandse taal op niveau 2. Voor de IT-branche
is vereist dat allochtone werkzoekenden minimaal niveau 4 moeten
hebben”.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit
van 12 augustus 2003 ongegrond verklaard. Daarbij is -onder meer-
overwogen dat gedaagde af mocht gaan op hetgeen in de rapportage van
Maatwerk wordt meegedeeld.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen het oordeel van de
voorzieningenrechter van de rechtbank gekeerd. Daartoe heeft zij -
samengevat -
aangevoerd dat zij de Nederlandse taal op niveau 4 beheerst en dat zij
de capaciteiten heeft om een opleiding tot computerprogrammeur te
volgen.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 114, eerste lid, van de Abw was ten tijde in geding bepaald
dat voor degene die een scholing of opleiding gaat volgen die
noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in de arbeid, voor de
duur van die scholing of opleiding niet de verplichtingen gelden genoemd
in artikel 113, eerste lid, onderdeel a en c; de Minister kan ingevolge
het tweede lid van dit artikel regels stellen met betrekking tot het
aanmerken van scholing of opleidingen als noodzakelijk voor de
inschakeling in de arbeid.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde bij de beoordeling
van het niveau van appellantes beheersing van de Nederlandse taal mocht
afgaan op hetgeen in de rapportage van Maatwerk Amsterdam van 27
februari 2003 staat vermeldt. Maatwerk heeft bij de totstandkoming van
haar advies informatie ingewonnen bij de instantie waar appellante de
lessen Nederlandse taal volgde, te weten het opleidingsinstituut ROC
Amsterdam, en met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze instantie
gekwalificeerd is het niveau van appellantes taalbeheersing te
beoordelen. Nu niet in geschil is dat voor het volgen van een
IT-opleiding taalniveau 4 vereist is en het door appellante ingenomen
standpunt dat zij de Nederlandse taal op dit niveau beheerst, niet met
stukken wordt onderbouwd, is de Raad van oordeel dat gedaagde terecht
bij het bestreden besluit aan appellante de toestemming heeft onthouden
om, met behoud van uitkering, een opleiding tot computerprogrammeur te
volgen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voorzover aangevochten voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns, in
tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken
in het openbaar op 7 juni 2005.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|