|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/350 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Edam-Volendam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Haarlem van 16 december 2003, reg.nr. 03-386 NAbw.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 17 mei 2005, waar appellant -
met bericht - niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door drs. C.M. Slijkerman, werkzaam bij de gemeente
Edam-Volendam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Gedaagde heeft aan appellant als zelfstandige in de zin van de Algemene
bijstandswet (Abw) over de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1996
een uitkering voor levensonderhoud ingevolge het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) toegekend. Op grond van artikel 23
van de Abw is deze uitkering verleend in de vorm van een renteloze
lening.
Bij besluit van 18 februari 2002 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat
de als lening verstrekte bijstand niet wordt omgezet in bijstand om niet
en dat als gevolg daarvan de over de periode van 1 januari 1996 tot 1
juli 1996 verleende bijstand tot een bedrag van € 2.340,79 van
appellant wordt teruggevorderd. Hierbij heeft gedaagde het inkomen van
appellant over het boekjaar 1996 vastgesteld aan de hand van de door
appellant verstrekte winst-en verliesrekening over 1996 waaruit een
netto bedrijfsresultaat blijkt van ƒ 46.702,-- (hierna: € 21.192,54).
Bij besluit van 15 oktober 2002, verzonden op 5 november 2002, heeft
gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2002 ongegrond
verklaard.
Bij brief van 28 februari 2003, door de rechtbank ontvangen op 3 maart
2003, heeft appellant beroep ingesteld tegen het besluit van 15 oktober
2002. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep
ontvankelijk geacht en het beroep voorts, wegens het hanteren van een
onjuiste wettelijke grondslag, gegrond verklaard. Daarbij heeft de
rechtbank, met een bepaling omtrent het griffierecht, het besluit van 15
oktober 2002 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit geheel in stand blijven.
Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd voorzover daarbij de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Hij
stelt zich met name op het standpunt dat gedaagde ten onrechte zijn
inkomen over het gehele jaar 1996 in aanmerking heeft genomen en dat
zijn inkomsten over het boekjaar 1996 moeten worden bepaald op het door
de fiscus vastgestelde belastbare inkomen van ƒ 11.153,-- (€
5.061,03).
Nu de wettelijke voorschriften met betrekking tot de termijn voor het
indienen van beroep van openbare orde zijn, ziet de Raad zich ambtshalve
eerst voor de vraag gesteld of de rechtbank het beroep terecht
ontvankelijk heeft geacht.
Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant volgens de
Gemeentelijke Basis Administratie (hierna: GBA) woonachtig was in
[plaatsnaam] maar bij bezwaarschrift van 21 maart 2002 uitdrukkelijk melding heeft gemaakt van zijn
correspondentieadres in [woonplaats]. Vervolgens acht de Raad van belang
dat de bezwaarschriftencommissie dit laatstgenoemde adres verder ook
heeft gehanteerd in de correspondentie met appellant. Naar het oordeel
van de Raad mocht appellant er dan ook van uitgaan dat het besluit op
bezwaar zou worden gezonden naar het door hem opgegeven
correspondentieadres in [woonplaats]. Nu gedaagde dit heeft nagelaten,
is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat het besluit op bezwaar
niet op juiste wijze aan appellant kenbaar is gemaakt, zoals
voorgeschreven in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht
(hierna: Awb). Dit heeft tot gevolg dat eerst op 24 januari 2003, een
dag nadat het besluit op bezwaar op verzoek van appellant (nogmaals) aan
hem is gezonden, de wettelijke termijn als bedoeld in artikel 6:7 van de
Awb is aangevangen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat
het beroepschrift, ontvangen op 3 maart 2003, tijdig is ingediend zodat
het beroep ontvankelijk is.
Met betrekking tot het inhoudelijke geschil overweegt de Raad als volgt.
Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw)
heeft, indien aan een zelfstandige op grond van artikel 8, anders dan
ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, bijstand wordt
verleend, deze bijstand voorlopig de vorm van een renteloze geldlening
die in maandelijkse termijnen wordt uitbetaald. Ingevolge het tweede lid
van dit artikel wordt, zodra het inkomen bekend is over het boekjaar
waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, de hoogte van
deze bijstand definitief vastgesteld en vindt, voorzover het vermogen
van de zelfstandige een bij algemene maatregel van bestuur te stellen
grens niet te boven gaat, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag
om niet.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Bbz - voorzover hier van
belang - nemen burgemeester en wethouders een nadere beslissing met
betrekking tot de verleende bijstand, bedoeld in artikel 23, eerste lid,
van de wet, nadat zij het netto inkomen uit bedrijf of zelfstandig
beroep definitief hebben vastgesteld aan de hand van de administratie.
In het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel is bepaald dat
indien de verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende
boekjaar behaalde netto inkomen meer is dan de jaarnorm, de bijstand ter
grootte van het verschil wordt teruggevorderd en de rest van de als
geldlening verstrekte bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet.
In artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz is bepaald dat onder
boekjaar wordt verstaan de periode van twaalf maanden waarover de
administratie van de zelfstandige wordt gevoerd. Ingevolge artikel 1,
aanhef en onder d, van het Bbz wordt onder netto inkomen verstaan het
over het boekjaar verworven inkomen, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling
3, paragraaf 2, van de Abw.
Op grond van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Abw
wordt onder inkomen verstaan inkomsten uit of in verband met arbeid die
betrekking hebben op de periode waarover bijstand is verleend. In het
derde lid van artikel 47 is, voorzover hier van belang, bepaald dat, in
afwijking van het eerste lid, onderdeel b, bij bijstandverlening aan
een zelfstandige rekening wordt gehouden met het inkomen over een
boekjaar, zoals dat aan de hand van zijn administratie wordt
vastgesteld.
Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 47, derde lid, van de
Abw wordt, aangezien de inkomensvorming van een zelfstandige niet
regelmatig over een jaar verloopt en het inkomen in zijn administratie
over een boekjaar wordt vastgesteld, bij de definitieve vaststelling van
de bijstand aan een zelfstandige rekening gehouden met het inkomen over
een geheel jaar, ook al is de bijstand slechts over een gedeelte van dat
jaar verleend. Hiermee wordt afgeweken van het in artikel 47, eerste
lid, onderdeel b, neergelegde uitgangspunt.
Op grond van het voorgaande, met name het bepaalde in artikel 47, eerste
en derde lid, van de Abw in verbinding met artikel 1, aanhef en onder d,
van het Bbz, is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat gedaagde
bij de definitieve vaststelling van de hoogte van het inkomen van
appellant over 1996 terecht zijn inkomen over het gehele boekjaar 1996
heeft betrokken.
Met betrekking tot de vaststelling van het in 1996 verworven netto
inkomen van appellant concludeert de Raad, evenals de rechtbank, dat
gedaagde hierbij heeft gehandeld in overeenstemming met de bij en
krachtens de Abw gegeven voorschriften door als uitgangspunt te nemen
het in de verlies- en winstrekening vermelde netto bedrijfsresultaat
over (het met het kalenderjaar samenvallende boekjaar) 1996 tot een
bedrag van € 21.192,54. Voor een vaststelling op basis van het
belastbare inkomen, zoals appellant voorstaat, ziet de Raad dan ook geen
grond.
De Raad komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot de slotsom
dat de verleende bijstand vermeerderd met het in 1996 behaalde netto
inkomen de voor appellant van toepassing zijnde jaarnorm in betekenende
mate overschreed, zodat gedaagde op juiste gronden heeft geweigerd de
aan appellant verleende bijstand in de vorm van een geldlening om te
zetten in een bedrag aan bijstand om niet en terecht heeft besloten de
als geldlening verstrekte bijstand van hem terug te vorderen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden
bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van L. Jörg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2005.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) L. Jörg.
|
|