|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/1383 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. E.Tj. van Dalen, advocaat te Groningen, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de
rechtbank Groningen van 27 februari 2004, reg.nr. 04/86 NABW en 04/160
NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 april 2005, waar appellant in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dalen, en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Met ingang van 7 oktober 2003 is appellant gedetineerd. Op 20 november
2003 heeft hij om bijzondere bijstand op grond van de Algemene
bijstandswet (Abw) gevraagd in de kosten van het aanhouden van zijn
huurwoning aan de [adres] te [plaatsnaam] voor de periode dat hij
gedetineerd is.
Bij besluit van 4 december 2003 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen.
Bij besluit van 18 februari 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 4 december 2003 ongegrond verklaard. Hierbij heeft gedaagde
zich onder meer op het standpunt gesteld dat bijstandsverlening
gedurende detentie niet mogelijk is en dat niet gebleken is van zeer
dringende redenen op grond waarvan toch bijstand verleend moet worden.
Verder heeft gedaagde overwogen dat appellant geen beroep kan doen op
het beleid zoals dat tot 1 oktober 2003 gold. Op grond van dit beleid
kon, indien tijdens detentie het aanhouden van de woning noodzakelijk
werd geacht, bijzondere bijstand worden verleend. Hierbij speelde de
duur van de detentie een rol. Als richtlijn gold hiervoor een jaar. Met
ingang van 1 oktober 2003 heeft gedaagde dit beleid gewijzigd welke
wijziging in september 2003 is bekend gemaakt. Gedaagde heeft sindsdien
tot uitgangspunt genomen dat voor de kosten van het aanhouden van de
woning geen bijzondere bijstand meer kan worden verleend. De detentie
van appellant alsmede zijn aanvraag dateren van na deze
beleidswijziging.
Bij de aangevallen uitspraak is, voorzover van belang, het beroep tegen
het besluit van 18 februari 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
Appellant is van mening dat de periode tussen de aankondiging van de
beleidswijziging en de invoering ervan te kort is geweest en voorts
meent hij dat er sprake is van zeer dringende redenen op grond waarvan
hij voor de gevraagde bijstand in aanmerking zou moeten komen.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw heeft
degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen geen recht op
bijstand.
Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Abw kunnen burgemeester en
wethouders aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op
alle omstandigheden, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen
daartoe noodzaken.
Vaststaat dat appellant met ingang van 7 oktober 2003 is gedetineerd.
Hij had derhalve met ingang van 7 oktober 2003 geen recht op bijstand.
De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde terecht de aanvraag om
bijstand van appellant in de kosten van het aanhouden van zijn
huurwoning heeft afgewezen.
Het standpunt van appellant dat het beleid van gedaagde zoals dit tot 1
oktober 2003 gold, in zijn geval nog zou moeten worden toegepast, wordt
door de Raad niet gevolgd. Dit beleid was in strijd met de wet. Ook de
grief van appellant dat de termijn tussen bekendmaking en invoering van
het nieuwe beleid te kort was, treft daarom geen doel.
Ook van zeer dringende redenen op grond waarvan gedaagde bevoegd zou
zijn om ten aanzien van appellant, in afwijking van artikel 9, eerste
lid, aanhef en onder a, van de Abw tot bijstandsverlening over te gaan,
is de Raad niet gebleken. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming
van artikel 11, eerste lid, van de Abw kan van zeer dringende redenen
slechts sprake zijn in geval van een acute noodsituatie. De door
appellant aangevoerde trombose aan zijn been en het vooruitzicht dat hij
met deze kwaal na detentie dakloos is, vormen geen acute noodsituatie
zoals hiervoor is bedoeld.
In hetgeen overigens door appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen
grond om tot een ander oordeel te komen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak -
voorzover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns, in
tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken
in het openbaar op 7 juni 2005.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|