|
Uitspraak
04/2389
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Culemborg,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. J.A. Schadd, advocaat te Utrecht, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 maart
2004, reg.nr. AWB 03/1053.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 10 mei 2005, waar appellante in
persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door C.T.W. Masolijn en I. Beeuwkes, beiden werkzaam
bij de gemeente Culemborg.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad, gelet op de gedingstukken en het
verhandelde ter zitting, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat
hier met het volgende.
Appellante en haar echtgenoot [echtgenoot] (verder: [echtgenoot])
ontvingen ten tijde van belang een uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw). Deze uitkering was over de periode van 1 januari
1999 tot en met 8 oktober 2001 berekend naar de norm voor gehuwden. Over
de periode van 9 oktober 2001 tot en met 30 september 2002 is aan
appellante een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een
alleenstaande ouder.
De Regiopolitie Gelderland-Zuid (verder: politie) heeft, naar aanleiding
van een vermoeden van bezit en handel in vuurwapens alsmede diefstal en
heling en het telen van hennep, onderzoek verricht naar de vraag of
[echtgenoot] daaruit wederrechtelijk financieel voordeel heeft
verkregen. In het kader van dat onderzoek zijn op 9 oktober 2001 tijdens
een huiszoeking op het adres van appellante en [echtgenoot] onder meer
een bedrag van f 29.058,-- aan contant geld, luxe goederen, een grote
hoeveelheid sieraden met een waarde van f 14.385,--, een drietal auto's,
een paard, en een aanhangwagen aangetroffen en in beslag genomen.
Eveneens is onderzoek verricht naar de in- en uitgaande contante
geldstromen van appellante en [echtgenoot] in de periode van 1 januari
1999 tot 9 oktober 2001.
Gedaagde heeft naar aanleiding van de bevindingen van de politie een
onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante en aan
[echtgenoot] verleende bijstand. Daarvan is verslag gedaan in een
rapport van 7 november 2002.
Bij besluit van 7 november 2002 heeft gedaagde het recht op bij stand
over de periode van 1 januari 1999 tot en met 8 oktober 2001 van
appellante en [echtgenoot] en over de periode van 9 oktober 2001 tot en
met 30 september 2002 van appellante met toepassing van artikel 69,
derde lid, aanhef en onder a, van de Abw ingetrokken en de over de
periode van 1 januari 1999 tot en met 30 september 2002 gemaakte kosten
van bijstand tot een bedrag van € 46.909,02 bruto en € 9.518,59
netto met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw van
appellante en [echtgenoot] teruggevorderd.
Bij besluit van 17 april 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 7 november 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 17 april 2002 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd. Daarbij is onder meer aangevoerd dat gedaagde geen gebruik had
mogen maken van gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek tegen
[echtgenoot] aangezien het daarbij gaat om onrechtmatig verkregen
bewijs. Verder stelt appellante dat een deel van de in beslaggenomen
goederen aan derden toebehoren en dat zij en [echtgenoot] de woonwagen
hebben gefinancierd met leningen.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De grief dat ten onrechte gebruik is gemaakt van informatie uit het
strafrechtelijk onderzoek tegen [echtgenoot] slaagt niet. Nog
daargelaten of in dit geval sprake is van onrechtmatig verkregen
bewijsmateriaal, is het gebruik van beweerdelijk onrechtmatig verkregen
bewijsmiddelen volgens vaste rechtspraak (zie onder meer "s Raads
uitspraak van 29 januari 2002, LJN: AE3170) slechts dan niet toegestaan,
indien deze zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen
hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat
dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat daarvan in dit geval geen
sprake is.
Aansluitend overweegt de Raad het volgende.
Aan de besluitvorming heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat appellante
en [echtgenoot], zonder daarvan aan gedaagde mededeling te doen, over de
gehele hier van belang zijnde periode de beschikking hebben gehad over
een vermogen dat meer bedroeg dan het wettelijk vrij te laten vermogen.
Ingevolge artikel 42 van de Abw worden tot de middelen gerekend alle
vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het
gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
In artikel 51, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw is neergelegd
dat onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover
de betrokkene bij de aanvang van de bijstandsverlening beschikt of
redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip
aanwezige schulden.
Artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw bepaalt dat niet
als vermogen in aanmerking wordt genomen het bij de aanvang van de
bijstand aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de
toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54 van de Abw, zijnde
in het geval van appellante per 1 januari 1999 f 19.700,--.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gedingstukken een
toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante en
[echtgenoot] op 1 januari 1999 in ieder geval eigenaar waren van 2
paarden, [naam paard 1] en [naam paard 2], welke bij verkoop
respectievelijk taxatie in 2001 een waarde van f 32.500,-- en f
33.000,-- vertegenwoordigden, alsmede van een hefbrug met een waarde van
f 5.091,19. Daarnaast staat voor de Raad blijkens het verhandelde ter
zitting vast dat appellante op 1 januari 1999 eveneens over in beslag
genomen sieraden met een aanzienlijke waarde beschikten. Verder heeft
[echtgenoot] verklaard ten tijde van belang over meerdere auto's te
hebben beschikt. Het vermogen van appellante en [echtgenoot] steeg op 1
januari 1999 dan ook ruim uit boven het vrij te laten vermogen.
Vast staat verder dat appellante en [echtgenoot] in de periode van 1
januari 1999 tot 9 oktober 2001 onder andere een nieuwe woonwagen hebben
gekocht en dat in die periode drie auto's en een aanhangwagen zijn
aangeschaft. De op 9 oktober 2001 in beslag genomen goederen, exclusief
de woonwagen, zijn getaxeerd op een bedrag van totaal f 177.023,16.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante ook in de periode
van 9 oktober 1999 tot en met 30 september 2002 de beschikking heeft
gehad over een vermogen ver boven de vermogensgrens. Hieraan doet niet
af dat op een deel van dat vermogen conservatoir beslag is gelegd,
waarbij wordt aangetekend dat [echtgenoot] op 22 januari 2002 nog tot
een bedrag van f 95.700,-- aan zekerheid heeft gesteld voor de in beslag
genomen goederen.
Het vorenstaande betekent dat de Raad de vaststelling van de exacte
omvang van het vermogen waarover appellante ten tijde als hier van
belang kon beschikken buiten beschouwing kan en zal laten.
De grief dat een aantal van de in beslag genomen goederen van derden
afkomstig zouden zijn, kan niet tot een ander oordeel leiden. Nog
daargelaten dat appellante deze grief op geen enkele wijze heeft
onderbouwd, is voor de vaststelling van de aanwezigheid van vermogen
niet relevant op welke wijze of van wie dit is verkregen, maar of
appellante hierover beschikte of redelijkerwijs kon beschikken. De grief
dat een aantal goederen middels leningen zouden zijn gefinancierd, is
evenmin onderbouwd.
Met de rechtbank is de Raad, gelet op de gedingstukken en met name het
reeds eerder genoemde rapport van 7 november 2002, van oordeel dat
voldoende is komen vast te staan dat appellante gedurende de gehele
periode in geding de beschikking heeft gehad over een vermogen dat
uitging boven de in artikel 54 van de Abw bedoelde vermogensgrens, zodat
geen recht op bij stand bestond. Door daarvan geen melding te maken
heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting bedoeld in
artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden. Gedaagde was derhalve
gehouden om met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a,
van de Abw tot intrekking van het recht op bijstand over te gaan. Van
dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op
grond waarvan gedaagde bevoegd was geheel of ten dele van intrekking af
te zien, is de Raad niet gebleken.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden
voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde
gehouden was de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen van
appellante. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid,
van de Abw om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is
de Raad evenmin gebleken.
Ten slotte is de Raad van oordeel dat het door appellante gedane beroep
op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Niet is gebleken van een
uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de
zijde van gedaagde waarop een in rechte te honoreren beroep op het
vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd.
Ook het enkele tijdsverloop is daartoe onvoldoende. Gedaagde is derhalve
terecht tot intrekking en terugvordering overgegaan.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te
worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2005.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) R.C. Visser.
|
|