|
Uitspraak
03/6027
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M. Kluft, werkzaam bij SWA Juristen BV te
Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Amsterdam van 24 oktober 2003, reg.nr. 03/465 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 juni 2005, waar appellant is
verschenen, bijgestaan door mr. Kluft, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. M. Diderich, werkzaam bij de gemeente
Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Met toepassing van artikel 8, zesde lid, van de Abw heeft gedaagde
appellant toestemming verleend om met behoud van zijn uitkering zich
gedurende de periode van 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002 voor te
bereiden op een bestaan als zelfstandig ondernemer. Appellant beoogt een
telefoon- winkel te starten waarin naast telefoonfaciliteiten fax-,
kopieer-, internet - en e-mailfaciliteiten worden aangeboden. In dat
kader heeft hij een trajectprogramma van de Stichting Stimulans (hierna:
Stimulans) doorlopen.
Op 18 maart 2002 heeft appellant een aanvraag ingediend ingevolge de Abw
en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) om bijstand in de
algemene kosten van het bestaan en om bijstand ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal voor een door hem te starten onderneming.
In dat kader heeft appellant een door hem opgesteld ondernemingsplan
ingediend waarin wordt uitgegaan van een door gedaagde te verlenen
bedrijfskrediet van € 28.134,--.
In verband met deze aanvraag heeft Friedeberg Consultancy B.V. (hierna:
Friedeberg) op 5 juni 2002 op verzoek van gedaagde een onderzoek
ingesteld en advies uitgebracht. In een rapportage van 5 juni 2002 komt
Friedeberg tot de conclusie dat er geen sprake is van een levensvatbaar
bedrijf. Naar aanleiding van een door appellant op dit rapport gegeven
reactie heeft Friedeberg bij brief van 27 juni 2002 aan gedaagde
gemotiveerd aangegeven bij zijn eerdere conclusie te blijven.
Bij besluit van 8 juli 2002 heeft gedaagde de door appellant gedane
aanvraag van 18 maart 2002 afgewezen op de grond dat er geen sprake is
van een levensvatbaar bedrijf.
Bij besluit op bezwaar van 10 december 2002 heeft gedaagde het in het
besluit van 8 juli 2002 neergelegde standpunt gehandhaafd.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 10 december 2002 ingestelde
beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Appellant heeft allereerst aangevoerd dat gedaagde ten onrechte meer
gewicht heeft gehecht aan het advies van Friedeberg dan aan het oordeel
van Stimulans. Appellant stelt zich op het standpunt dat het in de
gegeven situatie op de weg van gedaagde had gelegen om een derde,
onafhankelijke organisatie te raadplegen alvorens tot een definitieve
standpuntbepaling te komen.
De Raad kan appellant hierin niet volgen. Stimulans heeft in haar
eindverslag van 13 maart 2002 uitgesproken dat appellant in staat moet
worden geacht een levensvatbaar bedrijf op te zetten. Stimulans had tot
taak gedurende de voorbereidingsfase te begeleiden, op te leiden en hulp
te bieden bij het opstellen van het ondernemingsplan.
Uit het verslag van 13 maart 2002 blijkt evenwel niet dat Stimulans een
inhoudelijk oordeel heeft gegeven over het door appellant opgestelde
ondernemingsplan. Friedeberg heeft een bedrijfseconomisch en technisch
onderzoek verricht in het kader van de vraag naar de levensvatbaarheid
van het door appellant op te richten bedrijf, waarbij in beschouwing is
genomen de concrete situatie van een tweetal door appellant opgegeven
mogelijke locaties voor zijn beoogde onderneming. De Raad is met de
rechtbank van oordeel dat, nu aan beide adviezen een andersoortige
toetsing ten grondslag heeft gelegen, in het feit dat Friedeberg in zijn
advies tot de conclusie is gekomen dat geen sprake is van een
levensvatbaar bedrijf voor gedaagde geen noodzaak bestand tot het
raadplegen van een derde deskundige.
De Raad overweegt voorts het volgende.
Ingevolge artikel 8, tweede en vijfde lid, van de Abw kan aan een
zelfstandige die een bedrijf begint dat levensvatbaar is algemene
bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal
worden verleend. Onder levensvatbaar bedrijf wordt ingevolge artikel 1,
eerste lid, van het Bbz verstaan het bedrijf waaruit de zelfstandige
naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat,
samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van
het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. Blijkens de
toelichting op deze bepaling impliceert dit dat het inkomen toereikend
dient te zijn om aan alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat
voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en
dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is een bijstandsverlenend
orgaan in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming inzake
vragen met betrekking tot de levensvatbaarheid van te starten
ondernemingen te baseren op in concreto verkregen adviezen van
deskundige instanties. De Raad is niet gebleken dat Friedeberg in dit
kader niet als een ter zake deskundige instantie zou kunnen worden
beschouwd. Voorts acht de Raad in dit geval geen situatie aanwezig
waarin gedaagde niet van het door Friedeberg uitgebrachte advies zou
mogen uitgaan. De Raad is niet gebleken dat het rapport van 5 juni 2002 op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of
onjuistheden bevat.
Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat appellant als “core
business” van zijn onderneming ziet het goedkoop bellen naar het
buitenland in de vorm van het aanbieden van telefoonfaciliteiten en de
verkoop van telefoonkaarten, waaronder “prepaidkaarten”. Hij richt
zich voor een eventuele vestigingsplaats op een wijk waar veel
allochtonen, met name uit Oost-Europese en uit Arabisch sprekende landen
wonen. Blijkens de toelichting op het door appellant opgestelde
ondernemingsplan was hij ten tijde van het indienen van de aanvraag om
bijstand in onderhandeling over een winkelruimte aan het [adres] te
[vestigingsplaats].
Appellant gaat in het ondernemingsplan uit van 25.000 klanten op
jaarbasis, verdeeld in 15.000 buurtbewoners en werkers en 10.000
passanten. Onder deze laatste groep verstaat hij toeristen en winkelend
publiek. Op basis van deze aantallen gaat appellant uit van een omzet
van ruim € 380.000,-- in het eerste jaar. Appellant heeft niet kunnen
aangeven waarop deze aantallen zijn gebaseerd. Of de door appellant op
basis van deze aantallen berekende omzet realistisch is blijkt dan ook
niet. In het rapport van Friedeberg is aangegeven dat voor de
vestigingsplaats [adres] een taakstellende omzet nodig is van € 266.000,-- per jaar. Verder is aangegeven dat de maximaal mogelijke
omzet op deze locatie € 296.395,-- bedraagt. In het betreffende
verzorgingsgebied zijn in totaal 12.900 personen woonachtig, waarvan
circa 6.900 allochtonen, waaronder circa 2.300 van Marokkaanse afkomst.
Uitgaande van het bedrag dat een gemiddeld allochtoon gezin per maand
uitgeeft aan het bellen naar het buitenland zou de taakstellende omzet
van appellant neerkomen op een marktaandeel van 90%. Friedeberg geeft
aan dat dit marktaandeel niet haalbaar is onder meer omdat de Marokkanen
naar verwachting niet van de diensten van appellant gebruik zullen
maken, aangezien de door appellant voor Marokko gehanteerde beltarieven
te hoog zijn vergeleken bij het tarief van het goedkoopste carrierselect
bedrijf. Uit het nadere advies van 27 juni 2002 blijkt dat Friedeberg
bij de berekening van de grootte van de doelgroep ook rekening heeft
gehouden met passanten. Tevens is aangegeven dat bij de hoogte van de
uitgaven voor het bellen naar het buitenland niet alleen rekening is
gehouden met het bellen via een door het bedrijf van appellant ter
beschikking gestelde vaste lijn maar ook met het bellen via
prepaidkaarten en met een internationale telefoonkaart.
Appellant heeft aangegeven dat zijn onderneming 7 dagen per week van
9.00 uur tot 22.00 uur open zal zijn en dat hij binnen drie jaar na de
start personeel zal aannemen. Ondernemingen als waarvan hier sprake is
zullen in de regel ruime openingstijden moeten hanteren ten einde de
beoogde omzet te kunnen realiseren. De Raad is met gedaagde op basis van
het rapport van Friedeberg evenwel van oordeel dat appellant de
openingstijden te ruim heeft gesteld om zonder personeel te kunnen
werken. De voorgenomen werktijden worden objectief gezien niet haalbaar
geacht. Appellant heeft in dit verband weliswaar aangevoerd dat hij kan
rekenen op steun van familie en bekenden die hem om niet zouden willen
helpen, doch met gedaagde gaat de Raad hieraan voorbij. Deze
veronderstelde ondersteuning vormt geen reële basis voor een
zelfstandige bedrijfsvoering. De continuďteit van een commercieel
bedrijf dat voor een belangrijk deel afhankelijk is van op vrijwillige
basis verleende hulp acht de Raad onvoldoende gewaarborgd.
Appellant heeft verder aangevoerd dat Friedeberg ten onrechte geen
rekening heeft gehouden met de omzet die word gegenereerd door fax-,
kopieer- en internet/e-maildiensten. De Raad overweegt hieromtrent dat
de kern van zijn bedrijf wordt gevormd door de telefoondiensten en dat
de overige diensten geen substantieel onderdeel van de omzet vormen.
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat gedaagde zich bij
zijn besluitvorming op het advies van Friedeberg heeft kunnen en mogen
baseren. Hetgeen appellant omtrent de levensvatbaarheid van zijn bedrijf
heeft gesteld kan hier niet aan afdoen, te minder nu hij zijn stellingen
niet afdoende met objectieve en op de concrete situatie toegespitste
gegevens heeft onderbouwd.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat gedaagde de afwijzing
van de aanvraag bij het besluit van 10 december 2002 op goede gronden
heeft gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep van appellant terecht
ongegrond verklaard, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad ziet, ten slotte, geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M.
Roelofs en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van M.
Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) M. Pijper.
|
|