|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/3832 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. S.E.M. Cantineau, verbonden aan Rechtshulp
Noord te Assen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Groningen van 8 juni 2004, reg.nr. 03/827 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 juni 2005, waar voor appellant
is verschenen mr. Cantineau en waar gedaagde zich - zoals tevoren
bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontving sedert 21 februari 2000 een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm van een alleenstaande. Het
recht op bijstand is met ingang van 15 april 2002 ingetrokken in verband
met detentie van appellant. Bij besluit van 26 juni 2002 heeft gedaagde
aan appellant bijzondere bijstand toegekend voor de periode van 1 mei
2002 tot en met uiterlijk 30 april 2003 voor een bedrag per maand van
€ 230,34 voor de huur en van € 44,-- voor de energielasten verbonden
aan de woning van appellant.
Bij besluit van 26 maart 2003 heeft gedaagde het recht op deze bijstand
per 20 december 2002 ingetrokken wegens ontruiming van de woning van
appellant op die datum. Tevens heeft gedaagde het over de periode van 20
december 2002 tot en met 28 februari 2003 aan bijzondere bijstand
betaalde bedrag van € 654,87 van appellant teruggevorderd op grond van
artikel 81, tweede lid, van de Abw.
Bij besluit van 4 juli 2003 heeft gedaagde het tegen het besluit van 26
maart 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder wijziging van de
wettelijke grondslag van de terugvordering in artikel 81, eerste lid,
van de Abw.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 4 juli 2003 ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad overweegt het volgende.
Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, is in dit
geding uitsluitend aan de orde de vraag of gedaagde terecht heeft
aangenomen dat geen sprake is van dringende redenen als bedoeld in
artikel 78, derde lid, van de Abw om geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien.
Naar vaste rechtspraak kunnen dringende redenen slechts zijn gelegen in
de onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een
terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele
gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en
waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden
plaatsvindt.
In de namens appellant aangevoerde omstandigheden ziet de Raad geen
dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin. Evenals de rechtbank is
de Raad van oordeel dat het moet gaan om omstandigheden die betrekking
hebben op de gevolgen van de terugvordering zelf, terwijl hetgeen is
aangevoerd in hoofdzaak ziet op de omstandigheden die tot de intrekking
van het recht op bijzondere bijstand hebben geleid. Hoewel ten tijde in
geding sprake was van een schuldenlast, levert dit op zichzelf evenmin
een dringende reden op. De Raad wijst er in dat verband op dat bij
terugvordering de aflossingsbedragen zo worden vastgesteld dat de
betrokkene blijft beschikken over de zogeheten beslagvrije voet, bedoeld
in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Niet is
gebleken dat gedaagde in dit geval anders heeft gehandeld.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. C. van Viegen, in tegenwoordigheid van P.N.
Rijnsewijn als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli
2005.
(get.) C. van Viegen.
(get.) P.N. Rijnsewijn.
|
|