|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/5255 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M.N. van Geenen, advocaat te Venlo, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12
september 2003, reg.nr. 03/490 NABW, waarbij de rechtbank het beroep van
appellant tegen het besluit op bezwaar van gedaagde van 3 april 2003
ongegrond heeft verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 13
juli 2005, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Bij het besluit van 3 april 2003 heeft gedaagde gehandhaafd de
intrekking, met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b,
van de Algemene bijstandswet, van het recht op bijstand van appellant
met ingang van 21 oktober 2002. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant
voor de werkzaamheden die hij vanaf die datum heeft verricht bij [naam
bedrijf] (hierna: [bedrijf]), ten minste het minimumloon kan bedingen.
Daarmee kan appellant worden geacht zelf in de noodzakelijke kosten van
het bestaan te kunnen voorzien, zodat hij niet verkeert in
(bijstandsbehoevende) omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste
lid, van de Abw.
In hoger beroep heeft appellant de in eerste aanleg aangevoerde en door
de rechtbank verworpen beroepsgronden herhaald.
De Raad is van oordeel dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond
heeft verklaard.
Wat de feitelijke omvang van de werkzaamheden van appellant betreft
stelt de Raad, evenals de rechtbank, op grond van de arbeidsovereenkomst
en de tegenover gedaagde afgelegde verklaring van appellant vast dat
appellant ten tijde hier van belang voltijds werkzaam was bij [bedrijf].
Voorts is ook de Raad van oordeel dat de vastgestelde beperkingen van
appellant in medische zin niet in de weg stonden aan de door appellant
bij [bedrijf] te verrichten zeer lichte administratieve werkzaamheden.
Eveneens met de rechtbank, en op grond van dezelfde overwegingen, is de
Raad van oordeel dat gelet op de aard en de omvang van deze
werkzaamheden sprake is van productieve arbeid die een reële loonwaarde
vertegenwoordigt, welke kan worden gesteld op - ten minste - het
geldende minimumloon.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van M.
Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.)
M. Pijper.
|
|