|
Uitspraak
01/5019
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. P.G.M. Lodder, advocaat te Utrecht, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 13
augustus 2001, reg.nr. 01/122 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met dat tussen [naam partner ] (verder: [partner
]) en gedaagde, reg.nr. 01/5018 NABW, behandeld ter zitting van 13
januari 2004, waar voor appellante is verschenen mr. H.K. Jap-A-Joe,
kantoorgenoot van mr. Lodder, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. E.J. Zorgdrager, werkzaam bij de gemeente
Enschede. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde
zaken weer gesplitst.
De Raad heeft het onderzoek heropend. Hij heeft daarbij bepaald dat het
onderzoek niet volledig is geweest en gedaagde om nadere stukken
gevraagd.
Gedaagde heeft nadere stukken ingezonden.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van 28 juni 2005, waar voor
appellante is verschenen mr. F.W. Verweij, kantoorgenoot van mr.
Jap-A-Joe, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
Zorgdrager.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Aan appellante is laatstelijk met ingang van 27 juli 1981 een uitkering
op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW) toegekend. Op 1 januari 1996
is de Algemene bijstandswet (Abw) in werking getreden en met ingang van
die datum is de uitkering omgezet in een uitkering op grond van deze
wet. De bijstand was aanvankelijk berekend naar de norm voor een
alleenstaande, later naar de norm voor een eenoudergezin respectievelijk
alleenstaande ouder.
Naar aanleiding van anonieme meldingen dat appellante en [partner] op
het adres van appellante zouden samenwonen, heeft de afdeling Sociale
Recherche van de Gemeentelijke Sociale Dienst Enschede een onderzoek
ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende
bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is diverse instanties
(waaronder de werkgever van [partner]) om inlichtingen verzocht, zijn
huisbezoeken afgelegd op de adressen van appellante en [partner] en
zijn buurtbewoners/getuigen gehoord. Tevens hebben appellante en
[partner] verklaringen afgelegd. De bevindingen van dat onderzoek zijn
neergelegd in een rapport van 1 juni 1999. De onderzoeksresultaten zijn
voor gedaagde aanleiding geweest om bij besluit van 10 juni 1999 het
recht op bijstand van appellante over de periode van 1 augustus 1994 tot
en met 31 januari 1999 te herzien (lees: in te trekken) en de over die
periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 118.668,10 van
appellante terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging
dat appellante, zonder daarvan aan gedaagde mededeling te hebben gedaan,
een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [partner].
Bij besluit van 5 december 2000 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 10 juni 1999 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 5 december 2000 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad staat in dit geding primair voor de beantwoording van de vraag
of gedaagde terecht heeft aangenomen dat appellante en [partner] ten
tijde in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Deze vraag
zal worden beantwoord aan de hand van de hierna te noemen bepalingen van
respectievelijk de ABW en Abw. Ingevolge artikel 5a, tweede lid, van de
ABW is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee ongehuwde
personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een
bijdrage leveren in de kosten van de huishouding danwel op andere wijze
in elkaars verzorging voorzien.
Ingevolge artikel 3, tweede, van de Abw (tekst voor 1 januari 1998) en
artikel 3, derde lid, van de Abw (tekst vanaf 1 januari 1998) is sprake
van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf
in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar
door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de
huishouding dan wel anderszins.
Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder a en b, van de Abw
(tekst voor 1 januari 1998) en artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a
en b, van de Abw (tekst vanaf 1 januari 1998) wordt een gezamenlijke
huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij gehuwd zijn geweest of eerder voor verlening van bijstand als
gehuwden zijn aangemerkt of
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden
van een kind van de een door de ander.
Vaststaat dat appellante gehuwd is geweest met [partner] en dat
appellante twee kinderen heeft die door [partner] zijn erkend. Voor de
beantwoording van de vraag of sprake was van een gezamenlijke
huishouding, is, voor wat betreft de in geding zijnde periode vanaf 1
januari 1996, derhalve bepalend of appellante en [partner] hun
hoofdverblijf hadden in zelfde woning.
Het door appellante en [partner] aanhouden van verschillende
woonadressen - te [adres 1] respectievelijk [adres 2] te [woonplaats] -
hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg
te staan. In dat geval zal redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat
desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat
slechts een van beide woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere
wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van
samenwonen moet worden gesproken.
De Raad is van oordeel dat deze situatie zich in dit geval voordoet. Op
grond van de verklaringen van de bewoners van de [adres 1] en van de
[adres 2], de bevindingen van de huisbezoeken en de bij de werkgever van
[partner] ingewonnen informatie, is genoegzaam komen vast te staan dat
[partner] niet op het adres [adres 2] woonachtig was, maar dat hij en
appellante hun hoofdverblijf hadden op het adres [adres 1]. De Raad
heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verklaringen van de bewoners
van de [adres 1] gedetailleerd zijn en met elkaar sporen. Anders dan
appellante stelt, staat daaraan niet in de weg dat tijdens het
huisbezoek aan het adres van appellante niet is geconstateerd dat zich
daar goederen, kleding of andere zaken van [partner] bevonden. De Raad
acht in dat verband van belang dat [partner], die tijdens dat
huisbezoek ziek op bed werd aangetroffen, toen heeft verklaard dat al
zijn persoonlijke spullen zich op het adres van appellante bevonden.
Voor wat betreft de in geding zijnde periode tot 1 januari 1996 moet
naast het criterium van het gezamenlijk voorzien in huisvesting aan het
criterium van wederzijdse verzorging zijn voldaan. Deze kan blijken uit
een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen
die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee
samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of
slechts in geringe mate sprake is kunnen ook andere feiten en
omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in
elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van
betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve
aard zijn, is bepalend voor het antwoord op de vraag of aan het
verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.
De Raad is van oordeel dat de beschikbare onderzoeksgegevens onvoldoende
aanknopingspunten bieden om te oordelen dat gedurende de in geding
zijnde periode tot 1 januari 1996 sprake was van wederzijdse zorg.
Voorzover uit de onderzoeksgegevens blijkt van feiten en omstandigheden
die wijzen op wederzijdse verzorging, hebben deze betrekking op de
periode na 1 januari 1996.
Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellante en [partner] gedurende de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 januari 1999 een
gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Gedurende die periode moet
appellante derhalve als gehuwd worden aangemerkt, kan zij om die reden
niet worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand en had zij
geen recht op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande
ouder. Appellante heeft gedaagde niet van de gezamenlijke huishouding
met [partner] op de hoogte gesteld, zodat zij de ingevolge artikel 65,
eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting heeft
geschonden. Aan appellante is als gevolg van de schending van de
inlichtingenverplichting over de periode van 1 januari 1996 tot en met
31 januari 1999 ten onrechte bijstand verleend. Gedaagde is dan ook over
de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 gerechtigd en vanaf 1 juli
1997 op grond van artikel 69, derde lid, onder a, van de Abw gehouden
het recht op bijstand in te trekken. Van dringende redenen als bedoeld
in artikel 69, vijfde lid, van de Abw is de Raad niet gebleken.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat, met vernietiging van de
aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, en met gegrondverklaring
van het beroep, het besluit van 5 december 2000 dient te worden
vernietigd, voorzover dat betrekking heeft op de intrekking van het
recht op bijstand over de periode van 1 augustus 1994 tot 1 januari
1996. Nu het besluit tot intrekking niet onverkort in stand kan blijven,
is daarmee tevens de grondslag aan de terugvordering ontvallen, zodat
het besluit van 5 december 2000 ook in zoverre niet in stand kan
blijven.
De Raad ziet voorts aanleiding om, met gebruikmaking van de in artikel
8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde
bevoegdheid, zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 10 juni
1999 te herroepen, voorzover het betrekking heeft op de intrekking van
het recht op bijstand over de periode van 1 augustus 1994 tot 1 januari
1996.
Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen inzake de
terugvordering. Gedaagde dient er daarbij van uit te gaan dat over de
periode van 1 januari 1996 tot 31 januari 1999 is voldaan aan de
voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, (tekst voor en
na 1 juli 1997) van de Abw. De gedingstukken geven voorts geen
aanleiding aan te nemen dat er sprake is van dringende redenen als
bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in
beroep en op € 805,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 5 december 2000, voorzover dat betrekking
heeft op de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 1
augustus 1994 tot 1 januari 1996 en op de terugvordering;
Herroept het besluit van 10 juni 1999, voorzover dat betrekking heeft op
de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 1 augustus
1994 tot 1 januari 1996;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 1.449,-- , te betalen door de gemeente Enschede;
Bepaalt dat de gemeente Enschede aan gedaagde het in beroep en in hoger
beroep betaalde griffierecht van in totaal € 104, 34 vergoedt.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en
mr. H.J. de Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid
van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 augustus
2005.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) L. Jörg.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der
Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van
schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip
gezamenlijke huishouding.
|
|