|
Uitspraak
03/4129
NABW en 03/4131 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Assen van 7 juli 2003, reg.nr. 02/629. Namens appellanten
heeft mr. A.M. Bruin, advocaat te Amersfoort, de gronden van het hoger
beroep aangevuld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellanten zijn nog nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 augustus 2005, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bruin, en waar appellante
zich heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bruin. Gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door mr. O.B.S.J. Ketel, werkzaam bij de
gemeente Assen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellanten ontvingen sedert 10 juli 1995 een bijstandsuitkering,
aanvankelijk op grond van de op de Algemene Bijstandswet (ABW)
gebaseerde Rijksgroepsregeling werkloze werknemers, en vanaf 1 april
1997 ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor
gehuwden, welke uitkering met ingang van 1 april 1998 is beëindigd.
Naar aanleiding van een melding door de regiopolitie Drenthe, dat namens
de basketbalvereniging NUVA Drenthe aangifte was gedaan van
verduistering door appellant, heeft het bureau Sociale Recherche van de
gemeente Assen onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan
appellanten verstrekte uitkering. De bevindingen van dat onderzoek zijn
neergelegd in een rapport van 3 juli 1998. De conclusie van dit rapport,
voorzover van belang, is dat appellant als coach/trainer bij de
basketbalvereniging werkzaam was, dat hij in verband hiermee afspraken
met de vereniging had gemaakt over te vergoeden onkosten, dat hij met de
vereniging eind 1996 een contract had opgemaakt waarin was opgenomen dat
van alle door hem binnengebrachte donaties en sponsorinkomsten 15% mocht
worden gedeclareerd (hierna: 15% regeling) en dat hij zich op 26
september 1997 een sponsorbedrag van f 11.750,-- afkomstig van Bosma
Bedden en in 1996 en 1997 donaties van de Vrienden van Drenthe tot een
bedrag van f 12.375,-- had toegeëigend. Hiervan hebben appellanten geen melding
gemaakt bij gedaagde.
Gedaagde heeft hierin aanleiding gezien bij besluiten van 18 januari
2000 en 27 januari 2000 het recht op bijstand van appellanten over de periode
van 10 juli 1995 tot en met 31 december 1997 te herzien (lees: in te
trekken) op de grond dat appellant over die periode inkomsten had
ontvangen zonder dat appellanten daarvan mededeling hadden gedaan aan
gedaagde, en de over voornoemde periode gemaakte kosten van bijstand van
appellanten teruggevorderd tot een bedrag van f 76.558,99.
Bij besluit van 15 augustus 2000 heeft gedaagde de tegen de besluiten
van 18 januari en 27 januari 2000 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 januari 2001 heeft de rechtbank - met bepalingen
omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van
15 augustus 2000 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald
dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van
hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Ter uitvoering van deze uitspraak heeft gedaagde bij afzonderlijke
besluiten van 21 juni 2002 het recht op bijstand van appellanten over de periode van 1
juli 1997 tot en met 31 december 1997 herzien, en de over periode van 1
januari 1996 tot en met 31 december 1997 gemaakte kosten van bijstand van appellanten
teruggevorderd tot een bedrag van € 12.378,70.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de besluiten
van 21 juni 2002 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
In hoger beroep hebben appellanten zich tegen het oordeel van de
rechtbank gekeerd. Daarbij is aangevoerd dat de door appellant onder
zich gehouden bedragen afkomstig van Bosma Bedden en van de Vrienden van
Drenthe niet als inkomsten moeten worden beschouwd, doch als vergoeding
van de door hem gemaakte en bij de vereniging gedeclareerde onkosten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is niet in geschil - en ook de Raad gaat ervan uit - dat
appellant ten tijde hier van belang niet als een zelfstandige in de zin
van artikel 5 van de Abw kon worden aangemerkt. Dat betekent dat de
regels voor bijstandsverlening aan zelfstandigen in dit geval niet van
toepassing zijn.
De Raad merkt voorts op dat bijstand in beginsel wordt verleend in
aanvulling op hetgeen men zelf aan inkomsten uit arbeid verwerft of
redelijkerwijs geacht kan worden te verwerven. Voor de Raad is op grond
van de onderzoeksbevindingen van het bureau Sociale Recherche voldoende
vast komen te staan dat appellant in de periode in geding werkzaamheden
heeft verricht bestaande uit het verwerven van donateurs en sponsors ten
behoeve van de vereniging, en dat de door appellant onder zich gehouden
bedragen afkomstig van Bosma Bedden en van de Vrienden van Drenthe als
inkomsten uit (die) arbeid moeten worden beschouwd. Dat appellant
volgens de met de vereniging afgesproken 15% regeling contractueel
slechts recht had op 15% van de sponsorinkomsten en donaties doet aan
het vorenstaande niet af.
De Raad kan appellanten niet volgen in hun stelling dat bij de
berekening van het op de bijstandsuitkering van appellanten in mindering
te brengen inkomen de door appellant gemaakte en bij de vereniging
gedeclareerde onkosten buiten beschouwing moet worden gelaten.
Bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen is er volgens
vaste rechtspraak van de Raad geen ruimte voor verrekening van
verwervingskosten zoals door appellanten bepleit. De Raad verwijst
bijvoorbeeld naar zijn uitspraak van 20 juni 2000, LJN AJ9668. Voor deze
kosten dient de weg van de bijzondere bijstand te worden gevolgd.
Overigens is de Raad van oordeel dat appellant de door hem gestelde
onkosten op onvoldoende wijze met verifieerbare gegevens heeft
onderbouwd.
Appellanten hebben van de werkzaamheden van appellant en van de daarmee
verworven inkomsten geen mededeling aan gedaagde gedaan, hoewel die
gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het recht op bijstand. Zij
hebben daarmee in strijd gehandeld met de ingevolge de artikelen 30,
eerste lid, van de ABW en 65, eerste lid, van de Abw op hen rustende
inlichtingenverplichting. Dit betekent dat gedaagde vanaf 1 juli 1997
gehouden was om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 69,
derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Van dringende redenen op grond
waarvan gedaagde bevoegd was van herziening af te zien, is de Raad niet
gebleken.
Met het voorgaande is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor
terugvordering op grond van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW en
artikel 81, eerste lid, van de Abw tot het door gedaagde berekende en in
het besluit van 21 juni 2002 opgenomen bedrag. Van dringende redenen als
bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW en artikel 78, derde lid,
van de Abw, is de Raad niet gebleken.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. A.B.J.
van der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van
R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 augustus
2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.C. Visser.
|
|