|
Uitspraak
04/617
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Amsterdam op 19 december 2003, reg.nr. 03/544 NABW.
Gedaagde heeft bij wijze van verweerschrift meegedeeld zich te
conformeren aan het standpunt van de rechtbank.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 augustus 2005, waar
appellante is verschenen in persoon, bijgestaan door A. Vreeling, de
vader van appellante, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr. D. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter
zitting uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
Appellante ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevuld met een WAO-hiaatverzekering. Ter behandeling van haar burn-outklachten is appellante in
therapie bij een psycholoog. De kosten van deze therapie worden slechts
gedeeltelijk vergoed door het ziekenfonds.
Op 18 november 2001 heeft appellante bij gedaagde een aanvraag ingediend
om bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) voor de
voor eigen rekening blijvende kosten van voornoemde therapie. Bij
besluit van 21 december 2001 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen.
Het tegen het besluit van 21 december 2001 gemaakte bezwaar heeft
gedaagde bij besluit van 10 december 2002 gegrond verklaard met dien
verstande appellante alsnog met ingang van 1 november 2001 bijzondere
bijstand voor de kosten van psychotherapie is toegekend.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 10 december 2002 ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de
rechtbank gekeerd, voorzover haar geen bijzondere bijstand met
terugwerkende kracht vanaf 16 mei 2001 is toegekend. Daartoe is - kort
gezegd - aangevoerd dat appellante zich al in een eerder stadium tot
gedaagde heeft gewend en dat zij voorts zonder resultaat eerst
verschillende andere instanties heeft benaderd om het overige deel van
de kosten voor haar therapie vergoed te krijgen.
De Raad overweegt het volgende.
Uit het in artikel 67, eerste lid, van de Abw neergelegde primaire
uitgangspunt volgt dat bijstand op aanvraag wordt verleend en dat
derhalve in beginsel geen bijstand wordt toegekend met terugwerkende
kracht. Dit geldt zowel voor algemene bijstand als voor bijzondere
bijstand. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere
omstandigheden dat rechtvaardigen.
De Raad is in dit geval van dergelijke omstandigheden niet gebleken.
Niet is komen vast te staan dat appellante al eerder dan op 18 november
2001 bijzondere bijstand voor de in geding zijnde kosten heeft
aangevraagd. Evenmin is gebleken dat appellante op enigerlei wijze
actie in de richting van gedaagde heeft ondernomen die tot het innemen
van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden. Met name bieden
de gedingstukken geen aanknopingspunten voor de stelling van appellante
dat zij medio mei 2001, althans ruim voorafgaand aan de aanvraag, al
telefonisch contact heeft gehad met medewerkers van gedaagde met de
bedoeling een aanvraag in te dienen.
Voorts is de Raad niet gebleken dat appellante gedurende de periode van
medio mei tot 18 november 2001 buiten staat was een aanvraag om
bijzondere bijstand in te dienen dan wel een gegronde reden voor latere
indiening had. Dat zij om psychische redenen verhinderd zou zijn tijdig
een aanvraag in te dienen is niet met objectief medische gegevens
onderbouwd. Zo er al belemmeringen waren voor appellante voor het
indienen van een aanvraag, zou zij bovendien een derde hebben kunnen
inschakelen om namens haar een aanvraag in te dienen. In dat verband
merkt de Raad nog op dat uit de stukken valt af te leiden dat de vader
van appellante zich destijds schriftelijk namens appellante met diverse
instanties heeft verstaan en voorts dat er door appellante en haar vader
kennelijk bewust voor is gekozen niet eerder naar een andere instantie
te stappen dan dat terzake door die instantie een beslissing was
genomen.
Dat appellante er niet eerder van op de hoogte was dat zij voor de
betreffende kosten bijzondere bijstand kon aanvragen kan evenmin als een
bijzondere omstandigheid in bovenbedoelde zin gelden.
Het hoger beroep slaagt derhalve niet, zodat de aangevallen uitspraak in
aanmerking komt voor bevestiging.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Pijper
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 september 2005.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) M. Pijper.
|
|