|
Uitspraak
04/1810
NABW en 04/1812 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], appellant en [appellante], appellante, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr. H. Brouwer, advocaat te Utrecht, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12
maart 2004, reg.nr. 03/531.
Gedaagde heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Namens appellanten is een nader stuk ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 6
september 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
In het kader van een begeleidingstraject voor betaald werk is appellant
bij brief van 10 september 2002 opgeroepen te verschijnen bij gedaagde op 17 september
2002 en tevens mee te nemen bewijsstukken van zijn sollicitaties vanaf 4
september 2001 en van zijn taakstraf alsmede medische gegevens in
verband met de zorgplicht van zijn partner. Appellant is weliswaar op de
afgesproken datum verschenen, doch heeft niet alle gevraagde
bewijsstukken overlegd.
Gedaagde heeft naar aanleiding daarvan bij besluit van 30 september
2002, met toepassing van artikel 69, eerste lid, van de Algemene
bijstandswet (Abw) het recht op bijstand van appellanten met ingang van
17 september 2002 opgeschort en appellant alsnog uitgenodigd voor een
gesprek op 3 oktober 2002.
Appellant heeft op de oproep van 30 september 2002 niet gereageerd. Bij
besluit van 3 oktober 2002 heeft gedaagde de uitkering van appellanten, onder
verwijzing naar het opschortingbesluit, met ingang van de
opschortingsdatum ingetrokken. Bij besluit van 11 maart 2003 heeft gedaagde aan appellanten met ingang van 12 december
2002 een uitkering ingevolge de Abw toegekend.
Bij besluit van 4 februari 2003 heeft gedaagde het door appellanten
tegen het besluit van 30 september 2002 gemaakte bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit
van 4 februari 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het opschortingsbesluit berust op toepassing van artikel 69, eerste lid,
van de Abw.
Die bepaling verplicht gedaagde tot opschorting van het recht op
bijstand indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van
belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig
of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel
indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan
het onderzoek.
Het besluit tot intrekking van het recht op bijstand berust op
toepassing van artikel 69, vierde lid, van de Abw. Die bepaling
verplicht gedaagde tot intrekking met ingang van de eerste dag waarover
het recht op bijstand is opgeschort indien de belanghebbende het verzuim
niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Bij brief van 1 maart 2005 zijn vanwege de Raad aan mr. Brouwer de
volgende vragen voorgelegd:
“In deze zaak ligt voor het besluit tot opschorting op grond van
artikel 69, eerste lid, van de Abw van het recht op uitkering met ingang
van 17 september 2002. Uit de stukken maak ik op dat het besluit tot
intrekking van de uitkering op grond van artikel 69, vierde lid, van de
Abw in rechte vast staat. In verband hiermee verzoek ik u mee te delen
of appellanten het hoger beroep nog wensen te handhaven. Zo ja, welk
procesbelang hebben appellanten bij handhaving van hun hoger beroep?”
Bij brief van 16 maart 2005 heeft mr. Brouwer de Raad verzocht een
uitspraak te doen op de stukken. De Raad stelt vast dat appellanten niet
hebben aangegeven of en, zo ja, welk (financieel) belang zij nog hebben
bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. Evenmin
heeft de Raad een dergelijk belang in het geval van appellanten kunnen
ontwaren.
De Raad komt dat ook tot de conclusie dat het belang van appellanten bij
een uitspraak ten gronde over het opschortingsbesluit niet meer aanwezig
is.
Gelet hierop is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellanten
in verband met het ontbreken van een processueel belang
niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham als voorzitter, en mr. C. van
Viegen en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser
als griffier, en uitgesproken in het openbaar 18 oktober 2005.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) R.C. Visser.
|
|