|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/309 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. F. Bakker, werkzaam bij Rechtshulp Noord te
Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Leeuwarden van 4 december 2003, reg.nr. 03/194 ABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 20
september 2005, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Bij besluit van 27 mei 2002 heeft gedaagde aan appellante in geval van
scholing of een werkervaringstraject ontheffing verleend van de
verplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, onder a en c, van
de Algemene bijstandswet (Abw).
Bij besluit van 23 juli 2002 heeft gedaagde - voorzover hier van belang
- het besluit van 27 mei 2002 herzien en appellante ontheffing verleend
van de verplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerst lid, onder a tot
en met d, van de Abw.
Tegen het besluit van 23 juli 2002 heeft mr. Bakker namens appellante
bezwaar gemaakt op de grond dat aan appellante ten onrechte niet ook
ontheffing is verleend van de verplichtingen, genoemd in artikel 113,
eerste lid, onder f en e, van de Abw. Tevens is verzocht om vergoeding
van de kosten die appellante in verband met de behandeling van het
bezwaar heeft gemaakt.
Bij besluit van 10 oktober 2002 heeft gedaagde aan appellante, onder
gelijktijdige wijziging (lees: intrekking) van het besluit van 23 juli
2002, ontheffing verleend van alle in artikel 113, eerste lid, van de
Abw genoemde verplichtingen.
Bij besluit van 21 januari 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 23 juli 2002 niet-ontvankelijk verklaard wegens verlies van
belang omdat gedaagde met het besluit van 10 oktober 2002 volledig aan
dat bezwaar is tegemoetgekomen. Het verzoek om vergoeding van de kosten
in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gedaagde bij besluit
van 3 februari 2003 afgewezen omdat het besluit van 23 juli 2002 niet
onrechtmatig is.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellante
door mr. Bakker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd.
Appellante heeft als eerste grief aangevoerd dat de rechtbank de
niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 23
juli 2002 ten onrechte in stand heeft gelaten omdat appellante, gelet op
het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling
van dat bezwaar, belang heeft gehouden bij de vaststelling van de
onrechtmatigheid van dat besluit. Als tweede grief heeft appellante
aangevoerd dat de rechtbank ook de afwijzing van dat verzoek ten
onrechte in stand heeft gelaten nu het - primaire - besluit van 23
juli 2002 is ingetrokken wegens gebleken onrechtmatigheid.
De Raad overweegt naar aanleiding van de eerste grief van appellante het
volgende.
De Raad stelt allereerst vast dat gedaagde op grond van artikel 6:18,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd was om,
ondanks het aanhangige bezwaar tegen het besluit van 23 juli 2002, dat
besluit in te trekken.
Vervolgens stelt de Raad vast dat gedaagde met het besluit van 10
oktober 2002 volledig aan dat bezwaar is tegemoetgekomen zodat gedaagde,
gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, het bezwaar terecht niet
mede tegen dat besluit gericht heeft geacht.
De Raad volgt appellante niet in haar stellingname dat zij, ondanks de
totstandkoming van het besluit van 10 oktober 2002, belang heeft
gehouden bij de vaststelling in bezwaar van de onrechtmatigheid van het
- ingetrokken - besluit van 23 juli 2002. Uit artikel 6:19, derde lid,
van de Awb vloeit, nog daargelaten de vraag of deze bepaling voor het
bezwaar feitelijk wel betekenis heeft, niet voort dat aan een beslissing
op een verzoek om vergoeding van de kosten van de behandeling van het
bezwaar steeds vernietiging van het bestreden besluit (dan wel, in
voorkomend geval, ongegrondverklaring van dat bezwaar) vooraf dient te
gaan. Het bestuursorgaan kan en dient bij de - gelet op de systematiek
van artikel 7:15, derde lid, van de Awb: afzonderlijke - beslissing op
een dergelijk verzoek te erkennen (dan wel, in voorkomend geval, te
betwisten) dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt onrechtmatig
was, hetgeen in het voorliggende geval ook is gebeurd.
Uit het voorgaande volgt dat appellante geen belang meer heeft bij het
bezwaar tegen het besluit van 23 juli 2002, zodat gedaagde dit terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Deze grief slaagt derhalve niet.
Naar aanleiding van de tweede grief van appellante overweegt de Raad het
volgende.
Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb worden de
kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het
bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan
uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het
bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te
wijten onrechtmatigheid.
De Raad is, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 13 juni 2005 (LJN
AT7365), van oordeel dat het naar aanleiding van een daartegen gemaakt
bezwaar geheel of gedeeltelijk intrekken van een primair besluit wegens
gebleken onrechtmatigheid, voor de toepassing van artikel 7:15, tweede
lid, eerste volzin, van de Awb op één lijn moet worden gesteld met het
geheel of gedeeltelijk herroepen - met toepassing van artikel 7:11 van
de Awb - van een primair besluit wegens gebleken onrechtmatigheid.
De Raad stelt vast dat gedaagde is overgegaan tot intrekking van het
besluit van 23 juli 2002 omdat daarbij aan appellante ten onrechte geen
ontheffing was verleend van de verplichtingen, genoemd in artikel 113,
eerste lid, onder e en f, van de Abw. Naar het oordeel van de Raad is
aldus sprake van, aan gedaagde te wijten, onrechtmatigheid. Dat het bij
artikel 107, eerste lid, van de Abw om een bevoegdheid gaat om
ontheffing te verlenen van de verplichtingen bedoeld in artikel 113,
eerste lid, van de Abw, doet op zichzelf aan het vorenstaande niet af.
Daarmee is gegeven dat gedaagde het verzoek van appellante om vergoeding
van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar ten onrechte
heeft afgewezen.
Deze grief slaag derhalve.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aangevallen
uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad zal - doende hetgeen de
rechtbank zou behoren te doen - het beroep gegrond verklaren en het
besluit van 3 februari 2003 wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid,
eerste volzin, van de Awb vernietigen. De Raad zal voorts, met
toepassing van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 7:15,
tweede tot en met vierde lid, van de Awb, gedaagde veroordelen in de
kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar
redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 322,-- (1 punt,
gewichtsfactor 1) wegens verleende rechtsbijstand.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante, begroot op € 644,-- in beroep (2 punten,
gewichtsfactor 1) en € 322,-- (1 punt, gewichtsfactor 1) in hoger
beroep wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 3 februari 2003;
Veroordeelt gedaagde in de kosten van appellante in verband met de
behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep tot een
bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Leeuwarden;
Bepaalt dat de gemeente Leeuwarden aan appellante het in beroep en in
hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 118,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van L. Jörg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 november 2005.
(get.) A.B.J. van der Ham.
get.) L. Jörg.
|
|