|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/320 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. I.P.M.J. Nelemans, advocaat te Tilburg,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
’s-Hertogenbosch van 1 december 2003, reg.nr. AWB 02/3574.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 20
september 2005, waar partijen - appellante met voorafgaande bericht -
niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellante als eiseres is
aangeduid en gedaagde als verweerder - ontleent de Raad de volgende in
dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden:
"Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder aan eiseres
en haar toenmalige echtgenoot [echtgenoot] laatstelijk van 24 februari
1999 tot 28 februari 2001 bijstand heeft verstrekt naar de norm voor
gehuwden. Eiseres en [echtgenoot] hebben drie minderjarige kinderen. In
2001 is eiseres gescheiden van haar echtgenoot. Sinds 1 maart 2001
ontvangt zij uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder.
In januari 2002 werd door verweerder een controleonderzoek ingesteld.
Uit dit onderzoek kwam naar voren dat eiseres in de periode van 15
november 1999 tot en met 9 januari 2000 naast de bijstanduitkering ook
een werkloosheidsuitkering ontving. Vanaf 10 januari 2000 ontving zij
een jaar lang ziekengeld. Na afloop van dat jaar werd eiseres voor 15
tot 25% arbeidsongeschikt beschouwd en ontving zij dienovereenkomstig
uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO). Naast deze uitkering kreeg eiseres tot 11 februari 2001 opnieuw
uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW)."
Bij besluit van 31 mei 2002 heeft gedaagde - voorzover hier van belang -
het recht op bijstand van appellante en haar toenmalige echtgenoot
[echtgenoot] (hierna te noemen: [echtgenoot]) over de periode van 1
november 1999 tot en met 28 februari 2001 herzien en de over deze
periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 14.116,57
van appellante teruggevorderd.
Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 31 mei 2002 ongegrond verklaard. Dit besluit berust kort
gezegd op de grond dat appellante van de door haar naast de
bijstandsuitkering ontvangen uitkeringen in de periode in geding aan
gedaagde geen mededeling heeft gedaan waarmee zij de op haar rustende
inlichtingenverplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan aan
appellante en [echtgenoot] tot een te hoog bedrag aan bijstand is
verleend.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 29 oktober 2002 ongegrond verklaard.
Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen en heeft zich
daarbij met name gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat gedaagde
gehouden was de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van haar terug
te vorderen. Naar haar mening had gedaagde alleen moeten terugvorderen
van [echtgenoot], nu hij bij gedaagde zonder medeweten van appellante
een aanvraag om bijstand heeft ingediend en appellante evenmin kennis
had van de ontvangst van bijstand.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt allereerst vast dat, mede gelet op hetgeen door appellante
in hoger beroep naar voren is gebracht, tussen partijen niet in geschil
is dat het recht op uitkering ingevolge de Algemene bijstandwet (Abw)
over de periode in geding met toepassing van artikel 69, derde lid,
aanhef en onder a, van de Abw is herzien, en dat met betrekking tot
voornoemd tijdvak de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand met
toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw dienen te worden
teruggevorderd.
Het eerste lid van artikel 84 van de Abw bepaalt dat, indien de bijstand
op grond van artikel 13, tweede lid, van die wet is verleend, voor de
toepassing van de paragraaf inzake terugvordering als belanghebbenden
worden aangemerkt de in dat artikel bedoelde personen. Ingevolge het
derde lid van artikel 84 zijn de in het eerste lid van artikel 84
bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de
ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.
Gelet op het vorenstaande is gegeven dat, nu in het betrokken tijdvak de
verstrekte bijstand is verleend met toepassing van artikel 13, tweede
lid, van de Abw, (ook) appellante hoofdelijk aansprakelijk is voor de
terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.
De door appellante gestelde omstandigheid dat [echtgenoot] buiten haar
weten de bijstand had aangevraagd en zij niet op de hoogte was van de
ontvangst van de bijstand maakt dit niet anders. Voor de terugvordering
geldt dat een van beide in de gezinsbijstand begrepen partners zich niet
met vrucht kan beroepen op onbekendheid met de activiteiten van de ander
en de daarmee verband houdende gevolgen, aangezien beiden voor de
terugvordering als belanghebbenden moeten worden aangemerkt.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw
is de Raad niet gebleken, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekomt
geheel of ten dele van medeterugvordering van appellante af te zien.
Hieruit volgt dat het hoger beroep niet kan slagen zodat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van L. Jörg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 november 2005.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) L. Jörg.
|
|