|
Uitspraak
04/5630
NABW en 04/5631 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Almelo van 27 augustus 2004, reg.nr. 03/1064 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van 18 oktober 2005, waar
appellanten in persoon zijn verschenen en waar gedaagde zich niet heeft
laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde
feiten en omstandigheden.
Appellante ontving een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Naar aanleiding van het bij gedaagde gerezen vermoeden dat appellanten
een gezamenlijke huishouding voeren heeft de sociale recherche onderzoek
ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende
uitkering. In dat kader is onder meer administratief onderzoek gedaan,
is een huisbezoek afgelegd, zijn waarnemingen gedaan en hebben
appellanten verklaringen afgelegd. Op grond van de resultaten van dit
onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 17
maart 2003, heeft gedaagde geconcludeerd dat appellanten vanaf 1 juni
2002 een gezamenlijke huishouding voeren, waarvan appellante in strijd
met haar inlichtingenverplichting aan gedaagde geen melding heeft
gedaan. Gedaagde heeft het recht op uitkering van appellante ingevolge
de Abw met ingang van 1 februari 2003 beëindigd.
Bij besluit van 10 juni 2003 heeft gedaagde met toepassing van artikel
69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw het recht op uitkering van
appellante ingevolge de Abw over de periode van 1 juni 2002 tot en met
31 januari 2003 ingetrokken op de grond dat appellante met appellant een
gezamenlijke huishouding voert. Tevens heeft gedaagde met toepassing van
artikel 81, eerste lid, van de Abw de gedurende die periode gemaakte
kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.083,80 van appellante
teruggevorderd.
Bij besluit van eveneens 10 juni 2003 heeft gedaagde met toepassing van
artikel 84, tweede lid, van de Abw de gedurende de periode van 1 juni
2002 tot en met 31 januari 2003 ten behoeve van appellante ten onrechte
gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.083,80 mede van
appellant teruggevorderd.
Bij besluit van 21 oktober 2003 heeft gedaagde de tegen de besluiten van
10 juni 2003 gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en de
periode waarover het recht op bijstand van appellante wordt ingetrokken
nader bepaald op 1 juli 2002 tot en met 31 januari 2003 en het op grond
van de artikelen 81, eerste lid, en 84, tweede lid, van de Abw
teruggevorderde bedrag nader vastgesteld op € 7.660,62.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellanten
ingestelde beroep tegen het besluit van 21 oktober 2003 ongegrond
verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met betrekking tot het geding met reg.nr. 04/5631 NABW, het hoger beroep
van appellante
Aan de intrekking van het recht op bijstand is ten grondslag gelegd dat
appellante vanaf 1 juli 2002 met appellant een gezamenlijke huishouding
voert als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Abw.
De Raad onderschrijft het standpunt van gedaagde dat ten tijde hier in
geding met betrekking tot appellanten is voldaan aan de voorwaarden van
het voeren van een gezamenlijke huishouding in de zin van voornoemde
bepaling. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op grond van de
onderzoeksbevindingen van de sociale recherche genoegzaam is komen vast
te staan dat sedert 1 juli 2002 appellanten hun hoofdverblijf hebben in
de woning van appellante en dat zij tevens blijk hebben gegeven zorg te
dragen voor elkaar.
De Raad heeft in het bijzonder acht geslagen op het verslag van het op 6
februari 2002 afgelegde huisbezoek, alsmede op de inhoud van de door
appellante tijdens dat bezoek tegenover sociaal rechercheurs afgelegde
verklaring en van de door appellanten ten kantore van de sociale
recherche op 12 februari 2002 afgelegde verklaringen. De Raad ziet geen
aanleiding in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van
de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en
ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere
intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden
toegekend. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat appellanten
hun verklaringen niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk
hebben afgelegd. Evenmin is de Raad gebleken dat de handtekening onder
de door appellant op 12 februari 2002 afgelegde verklaring niet van hem
afkomstig zou zijn. De Raad voegt daar nog aan toe dat de drie
voornoemde verklaringen in grote lijnen met elkaar overeenstemmen. Uit
deze verklaringen komt naar voren dat appellant hoofdzakelijk in de
woning van appellante verblijft en dat daar ook het merendeel van zijn
kleding ligt. Appellante doet de was voor appellant. Zij eten geregeld
samen. Verder worden de boodschappen gezamenlijk gedaan en betaald.
Voorts heeft appellante in haar beide verklaringen te kennen gegeven dat
zij sedert juli 2002 met appellant een relatie heeft en dat zij het
sedertdien financieel ruimer heeft gekregen.
Door van deze gezamenlijke huishouding in het betrokken tijdvak bij
gedaagde geen melding te maken, heeft appellante de op haar rustende
inlichtingenverplichting geschonden als bedoeld in artikel 65, eerste
lid, van de Abw.
Het voorgaande betekent dat appellante over de periode van 1 juli 2002
tot en met 31 januari 2003 niet als een zelfstandig subject van bijstand
kon worden beschouwd, zodat zij geen recht had op een bijstandsuitkering
naar de norm voor een alleenstaande ouder. Nu voorts niet is gebleken
van dringende redenen in de zin van artikel 69, vijfde lid, van de Abw
op grond waarvan van intrekking zou kunnen worden afgezien, is gedaagde
derhalve terecht overgegaan tot intrekking van het recht op bijstand van
appellante over de periode van 1 juli 2002 tot en met 31 januari 2003.
Met het voorgaande is gegeven dat tevens is voldaan aan de voorwaarden
voor terugvordering van de over de periode van 1 juli 2002 tot en met 31
januari 2003 gemaakte kosten van bijstand op grond van artikel 81,
eerste lid, van de Abw. Aangezien evenmin is gebleken van dringende
redenen op grond waarvan terugvordering zou kunnen worden afgezien,
vloeit hieruit voort dat ook de terugvordering in recht stand houdt.
Met betrekking tot het geding met reg.nr. 04/5630 NABW, het hoger beroep
van appellant
Uit het voorgaande volgt dat appellanten ten tijde in geding met elkaar
een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en verlening van
gezinsbijstand - niettemin - achterwege is gebleven omdat appellante de
op haar rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen. Hiermee is
gegeven dat ten aanzien van appellant wat de terugvordering betreft is
voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 84, tweede lid,
van de Abw.
Gedaagde was derhalve gehouden de ten onrechte ten behoeve van
appellante gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te
vorderen.
De Raad ziet in de omstandigheden van appellant geen dringende redenen
als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde ten
aanzien van appellant niet de bevoegdheid toekwam om geheel of
gedeeltelijk van (mede)terugvordering af te zien.
Slotoverwegingen
Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep van appellanten niet kan
slagen.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van mr.
P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 november
2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.
|
|