|
Uitspraak
03/4292
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Utrecht van 17 juli 2003, reg.nr. 02/2180.
Gedaagde heeft bij wijze van verweer verwezen naar hetgeen in de
beroepsprocedure bij de rechtbank naar voren is gebracht.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 27
september 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Gedaagde heeft appellant bij brief van 10 juni 2002 opgeroepen voor een
heronderzoeksgesprek op 20 juni 2002. Bij brief van 16 juni 2002 heeft
appellant gedaagde medegedeeld dat het voor hem niet mogelijk is om aan
de oproep gehoor te geven.
Bij brief van 28 juni 2002 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat
de hem bij besluit van 22 juli 1997 toegekende uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) zonder het houden van een
heronderzoeksgesprek ongewijzigd wordt voortgezet.
Appellant heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 12 september 2002 heeft gedaagde dit bezwaar met
toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van Algemene wet
bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat aan de
behandeling van het bezwaar het belang is komen te ontvallen.
Vervolgens heeft appellant tegen het besluit van 12 september 2002
beroep ingesteld.
De rechtbank heeft dit beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond
verklaard. Daartoe is overwogen dat de brief van 28 juni 2002 is aan te
merken als een besluit in de zin van artikel 70 in verbinding met
artikel 66 van de Abw. Met dit besluit heeft gedaagde uitdrukkelijk het
rechtsgevolg beoogd dat de uitkering van appellant ongewijzigd wordt
voortgezet, ervan uitgaande dat appellant aan zijn verplichtingen in het
kader van de Abw heeft voldaan. Aldus is gedaagde volgens de rechtbank
geheel tegemoet gekomen aan de wens van appellant zoals geuit in zijn
brief van 16 juni 2002, zodat gedaagde terecht heeft geoordeeld dat
appellant geen belang had bij de behandeling van het bezwaarschrift.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt voorop dat deze zaak, anders dan appellant meent, is
behandeld overeenkomstig de bepalingen neergelegd in afdeling 8.2.2 van
de Awb, getiteld “vooronderzoek”, en dat geen sprake is van een
versnelde behandeling zoals beschreven in afdeling 8.2.3 van de Awb.
Het verzoek van appellant om toewijzing van een zogenoemde “amicus
curiae” kan niet worden gehonoreerd. Het staat appellant uiteraard
vrij om zich door een rechtshulpverlener te laten bijstaan en, indien
zijn draagkracht daartoe aanleiding geeft, een beroep te doen op de Wet
op de rechtsbijstand. De Awb en/of de Beroepswet voorzien daarnaast of
in plaats daarvan echter niet in de aanstelling door de Raad van een
rechtskundige rapporteur zoals door appellant bedoeld.
De Raad overweegt voorts als volgt.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de brief van 28
juni 2002 op rechtsgevolg is gericht, zodat sprake is van een besluit in
de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar en
beroep openstaat.
Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant bij de
behandeling van zijn bezwaar geen belang heeft, nu zijn uitkering -
conform zijn verzoek - zonder het houden van een heronderzoeksgesprek is
voortgezet. De wens van appellant om aangifte te (laten) doen of een
strafklacht in te dienen kan niet als een zodanig belang worden
aangemerkt.
Met betrekking tot het verzoek van appellant aan de Raad om de zaak in
zijn geheel terug te wijzen naar de rechtbank stelt de Raad voorop dat
er geen sprake kan zijn van verplichte terugwijzing als bedoeld in
artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet, aangezien
de rechtbank noch haar onbevoegdheid noch de niet-ontvankelijkheid van
het beroep heeft uitgesproken. De Raad ziet voorts geen aanleiding om de
zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van
de Beroepswet terug te wijzen. Met zijn verzoek om terugwijzing naar de
rechtbank beoogt appellant dat de zaak (vervolgens) wordt doorverwezen
naar de strafrechter. Voor een dergelijke door de bestuursrechter te
verrichten verwijzing kan echter noch in artikel 8:13 van de Awb noch in
een andere wettelijke bepaling grondslag worden gevonden.
Naar aanleiding van het verzoek van appellant aan de Raad om een
onderzoek in te stellen naar het optreden van de wrakingskamer van de
rechtbank overweegt de Raad dat hij hieraan geen gehoor kan geven, reeds
op de grond dat in artikel 8:18, vijfde lid, van de Awb is bepaald dat
tegen de beslissing van de rechtbank op een verzoek om wraking geen
rechtsmiddel openstaat.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. In
hetgeen appellant overigens nog heeft aangevoerd, ziet de Raad geen
grond om tot een ander oordeel te komen. De aangevallen uitspraak komt
derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. C. van Viegen als voorzitter en mr. J.J.A.
Kooijman en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 november
2005.
(get.) C. van Viegen.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|