|
Uitspraak
04/4397
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Haarlem van 5 juli 2004, reg.nr. 04/70 NABW.
Bij brief van 27 augustus 2004 heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te
Haarlem, de Raad medegedeeld als gemachtigde voor gedaagde op te treden.
Van de zijde van gedaagde zijn naderhand nog stukken ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 4 oktober 2005, waar appellant -
daartoe ambtshalve opgeroepen - zich heeft laten vertegenwoordigen door
R. de Vos, werkzaam bij de gemeente Haarlem, en waar gedaagde - eveneens
ambtshalve opgeroepen - in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Fischer.
II. MOTIVERING
Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de
volgende feiten en omstandigheden.
Gedaagde ontving van 5 april 1989 tot 1 maart 2003 bijstand, laatstelijk
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een
alleenstaande. Op 12 februari 2003 en 22 februari 2003 heeft gedaagde
aanvragen bij appellant ingediend voor bijzondere bijstand voor diverse
kosten respectievelijk algemene bijstand in aanvulling op haar per 11
maart 2003 ingaande pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Tijdens
de behandeling van deze aanvragen is gebleken dat gedaagde eigenaar is -
samen met haar dochter en zoon, ieder voor eenderde gedeelte - van een
in 1975 gekochte woning in [plaatsnaam], Spanje. Bij twee besluiten van
25 juli 2003 heeft appellant de hiervoor genoemde aanvragen afgewezen op
de grond dat gedaagde - ondanks diverse verzoeken hiertoe - onvoldoende
informatie heeft verstrekt om het recht op bijstand vast te stellen.
Tegen deze besluiten heeft gedaagde bezwaar gemaakt.
Tijdens de hoorzitting van 16 oktober 2003 heeft gedaagde medegedeeld
dat de woning in Spanje voor een bedrag van € 81.737,65 is verkocht. Dit bedrag is volgens gedaagde volledig
uitbetaald aan haar zoon, die in de loop der jaren alle kosten in
verband met het huis voor zijn rekening heeft genomen. Nadat gedaagde
niet binnen de tijdens de hoorzitting gegeven termijn nadere gegevens
betreffende deze verkoop aan appellant had verstrekt, heeft appellant
bij besluit van 27 november 2003 de tegen de besluiten van 25 juli 2003 gemaakte
bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - op grond van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht het tegen het besluit van
27 november 2003 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit
vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient
te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank
overwogen - samengevat - dat appellant onvoldoende concreet is geweest
in het opvragen van de naar zijn oordeel vereiste informatie, gedaagde
de gevraagde gegevens voorzover mogelijk heeft overgelegd en appellant
zich derhalve ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat gedaagde
niet aan haar inlichtingenverplichting heeft voldaan.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad deelt de uit de aangevallen uitspraak blijkende opvatting van de
rechtbank dat gegevens betreffende de eigendom van de woning in Spanje
en de verkoop ervan noodzakelijk zijn om de inkomens- en
vermogenspositie van gedaagde in het kader van de Abw vast te stellen.
De Raad kan de rechtbank echter niet volgen in haar zojuist weergegeven
oordeel dat tot vernietiging van het bestreden besluit heeft geleid.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant, nadat hem
was gebleken dat gedaagde een woning in Spanje bezat, in het kader van
de bezwaarschriftprocedure niet alleen voldoende actief is geweest de
voor de toepassing van de Abw in dit geval noodzakelijke informatie van
gedaagde te verkrijgen maar ook in dat kader voor gedaagde voldoende
duidelijk heeft aangegeven welke informatie hij verlangde. Ook de Raad
onderkent dat appellant in zijn diverse brieven om informatie aan
gedaagde niet steeds om dezelfde informatie heeft gevraagd. Dit is
evenwel niet appellant aan te rekenen zoals de rechtbank heeft gedaan,
aangezien gedaagde in haar opvolgende antwoordbrieven slechts stukje bij
beetje de door appellant gevraagde informatie over de woning in Spanje
gaf en appellant niets anders heeft gedaan - en niets anders kon doen -
dan op basis van de aldus ter beschikking staande gegevens aan gedaagde
weer nader om informatie te vragen. Hierbij tekent de Raad aan dat in de
gegeven omstandigheden appellant voor het verkrijgen van gegevens geheel
van gedaagde afhankelijk was en dit aan gedaagde (en haar raadsman) ook
voldoende heeft laten blijken.
Dit betekent dat de rechtbank op onjuiste gronden tot vernietiging van
het bestreden besluit is overgegaan. Derhalve komt de aangevallen
uitspraak voor vernietiging in aanmerking.
Doende wat de rechtbank had behoren te doen, overweegt de Raad het
volgende.
In dit geding staat vast dat gedaagde voor eenderde eigenaar is geweest
van een in 1975 gekochte woning in [plaatsnaam], Spanje. Tevens staat
vast dat zij haar eigendomsdeel nooit formeel heeft overgedragen aan
haar zoon, zodat zij ten tijde van de verkoop in 2001 recht had op
eenderde van de opbrengst van deze woning.
Voorts staat op grond van de aan de rechtbank gezonden verkoopakte van
29 oktober 2001 vast, dat de woning is verkocht voor € 81.737,65 en
dat in verband hiermede de notaris twee bankcheques zijn voorgelegd ten
bedrage van € 42.070,85 en € 39.666,80. Tenslotte zijn aan de Raad een
transactieoverzicht,
waarop een storting van een bedrag van € 39.666,80 staat vermeld, en
twee bankafschriften van de Caixa Catalunya gezonden alsmede een
kwitantie van deze bank van 22 november 2002 voor ontvangst van een
bedrag van € 40.000,--.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan bijstand niet worden geweigerd
op de grond dat als gevolg van de schending van de
inlichtingenverplichting het recht niet kan worden vastgesteld, indien
in (hoger) beroep op grond van nader verkregen informatie het recht
alsnog blijkt te kunnen worden vastgesteld.
De Raad is van oordeel dat gedaagde niet aan de hand van objectieve en
verifieerbare gegevens heeft aangetoond dat zij geen recht kon doen
gelden op het haar toekomende gedeelte van de opbrengst van de woning in
Spanje dan wel aan wie dit bedrag ten goede is gekomen. Voorzover
gedaagde meent dat zij een en ander door middel van de hiervoor genoemde
in hoger beroep overgelegde stukken wel heeft aangetoond volgt de Raad
haar hierin niet. De Raad merkt in verband hiermede op dat het
overgelegde transactieoverzicht niet op naam is gesteld en dat de
bedragen die staan vermeld in de door de notaris verleden verkoopakte
niet corresponderen met de bedragen die staan vermeld in de overlegde
bankkwitanties, welke kwitanties bovendien zijn gedateerd ruim een jaar
na de datum van de verkoop van de woning in geding.
De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde de op haar rustende
inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg hiervan niet
kan worden vastgesteld of zij in de periode in geding in
bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
Op grond van het vorenoverwogene zal de Raad de aangevallen uitspraak
vernietigen en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaren.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 november 2003 ongegrond.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van
der Kolk-Severijns en mr. J.G. Treffers als leden, in tegenwoordigheid
van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15
november 2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|