|
Uitspraak
04/3018
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 21
april 2004, reg.nr 03/1393 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en nadien nadere stukken aan
de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 oktober 2005, waar appellant
is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
A. Hagenbeek en L. Peeks, beiden werkzaam bij de gemeente Putten.
II. MOTIVERING
Appellant ontving van gedaagde vanaf 26 februari 2002 een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Naar aanleiding van het bij gedaagde gerezen vermoeden dat appellant
inkomsten uit verhuur ontving, heeft de Sociale Recherche Noordwest
Veluwe te Nunspeet onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan
appellant verleende bijstand. Op basis van de resultaten van dat
onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 24 januari 2003, heeft gedaagde onder meer geconstateerd dat appellant
de hem in eigendom toebehorende woning [adres] te [woonplaats] verhuurt
aan de familie [naam familie] tegen een huursom van € 350,-- per
maand, en dat de familie [naam familie] de huur betaalt aan de moeder
van appellant. Aan laatstgenoemde omstandigheid ligt ten grondslag een
tussen appellant en zijn moeder gesloten overeenkomst van cessie van de
maandelijkse huurvorderingen, gedateerd 20 november 2001.
Bij besluit van 19 februari 2003 heeft gedaagde het recht op bijstand
van appellant gewijzigd in die zin dat de huurinkomsten van € 350,--
met ingang 1 februari 2003 maandelijks worden gekort op de uitkering.
Daarbij heeft gedaagde overwogen dat, hoewel de moeder van appellant de
huurbetalingen ontvangt, deze moeten worden gezien als inkomsten
waarover appellant redelijkerwijs kan beschikken in de zin van artikel
42 van de Abw.
Gedaagde heeft het tegen het besluit van 19 februari 2003 gemaakte
bezwaar bij besluit van 25 augustus 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 25 augustus 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank
heeft daartoe overwogen dat een cessie van toekomstige vorderingen pas
kan worden voltooid op het moment dat de vorderingen opeisbaar worden en
dat voor het rechtsgeldig overdragen van zodanige vorderingen is vereist
dat degene die de vorderingen overdraagt over die vorderingen kan
beschikken. Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat, nu de
huurpenningen aan appellant als verhuurder van de woning toekwamen, hij
in beginsel bij het opeisbaar worden van de huurpenningen daarover
juridisch kon beschikken.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 42 van de Abw worden tot de middelen gerekend alle
vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het
gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Partijen worden
verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of appellant over de
onderhavige huurinkomsten redelijkerwijs kon beschikken.
Appellant heeft, zo blijkt uit de met zijn moeder gesloten overeenkomst
van 20 november 2001, de maandelijkse huurvorderingen op de familie
[naam familie] overgedragen aan zijn moeder. Voorts moet worden
aangenomen, mede gelet op de feitelijke gang van zaken, dat de familie
[naam familie] van deze levering in kennis is gesteld. Aan het bepaalde
in artikel 3:94, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is derhalve
voldaan.
Hier is sprake van levering bij voorbaat van toekomstige vorderingen als
bedoeld in artikel 3:97, eerste lid, van het BW. Een overdracht van een
dergelijke vordering is pas voltooid op het moment dat de vordering
ontstaat. Dan gaat de vordering van rechtswege over op de verkrijger.
Daarbij is evenwel vereist dat de cedent ook nog ten tijde van het
(daadwerkelijke) ontstaan van de vordering beschikkingsbevoegd is. Uit
het onderzoeksrapport van de sociale recherche en het verhandelde ter
zitting van de Raad is gebleken dat ten aanzien van appellant in de loop
van 2002 de toepassing van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in de
artikelen 284 en volgende van de Faillissementswet (Fw) is uitgesproken,
en dat deze regeling ten tijde in geding nog van toepassing was. Uit
artikel 296, eerste lid, aanhef en onder a, van de Fw volgt dat
appellant vanaf het moment waarop hij onder de schuldsaneringsregeling
viel, niet meer bevoegd was om over de tot de boedel behorende goederen
te beschikken.
In artikel 295, tweede lid, van de Fw, is bepaald - voorzover in dit
geding van belang - dat van het inkomen en van periodieke uitkeringen
onder welke benaming dan ook die de schuldenaar verkrijgt buiten de
boedel wordt gelaten een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld
in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het van
de familie [naam familie] maandelijks wegens verhuur te vorderen bedrag
lag ten tijde hier van belang beneden het bedrag van de beslagvrije
voet.
Het vorenstaande brengt mee dat, nu van ander inkomen en van andere
periodieke uitkeringen niet is gebleken, appellant, ondanks het op hem
toepassing zijn van de schuldsaneringsregeling, kon beschikken over het
gehele bedrag uit de verhuur van de hem in eigendom toebehorende woning,
dat hij kon aanwenden voor zijn levensonderhoud. Dit bedrag is dan ook
aan te merken als inkomen in de zin van artikel 47, eerste lid, aanhef
en onder a, van de Abw. Gedaagde heeft de huurinkomsten derhalve terecht
met ingang van 1 februari 2003 bij de vaststelling van het recht op
algemene bijstand van appellant in aanmerking genomen.
Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen
uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te
worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter, en mr. C. van
Viegen en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van R.C.
Visser, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 november
2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.C. Visser.
|
|