|
Uitspraak
04/2646
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Optimisd,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder gedaagde wordt in dit geding mede het College van burgemeester en
wethouders van de gemeente Schijndel begrepen, welk college zijn
bevoegdheden ter uitvoering van de Algemene bijstandswet per 1 januari
2005 heeft overgedragen aan het dagelijks bestuur van de
Intergemeentelijke Sociale Dienst Optimisd.
Namens appellante heeft mr. M.T. Kouwenhoven, advocaat te Boxtel, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch
van 1 april 2004, reg.nr. 03/1923 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 15 november 2005, waar
appellante en haar gemachtigde niet zijn verschenen, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door J.M.E. Rietrae, werkzaam bij de
Intergemeentelijke Sociale Dienst Optimisd.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante ontving in de perioden van 4 maart 1998 tot 1 september 1998,
van 8 februari 2000 tot 1 oktober 2001 en van 18 januari 2002 tot 1
augustus 2002 in aanvulling op haar inkomsten uit een uitkering
krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een
alleenstaande ouder.
Op grond van de resultaten van een door de sociale recherche ingesteld
onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 1
november 2002, heeft gedaagde geconcludeerd dat appellante in voormelde
perioden op haar woonadres een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd
met [partner] (hierna: [partner]), waarvan zij geen mededeling heeft
gedaan. Gedaagde heeft daarin aanleiding gezien om bij besluit van 5
december 2002 het recht op uitkering van appellante met toepassing van
artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw over die perioden
te herzien (lees: in te trekken) en met toepassing van artikel 81 van de
Abw de over die perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van
€ 12.102, 53 van appellante terug te vorderen.
Bij besluit van 20 mei 2003 heeft gedaagde het tegen het besluit van 5
december 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voorzover hier van
belang, het beroep tegen het besluit van 20 mei 2003 ongegrond
verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Abw is van een gezamenlijke
huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde
woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel
van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw is
bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt
geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde
woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft
plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.
Vaststaat dat uit de relatie van appellante en [partner] een kind is
geboren. Voor de beantwoording van de vraag of in de perioden van 4
maart 1998 tot 1 september 1998, van 8 februari 2000 tot 1 oktober 2001
en van 18 januari 2002 tot 1 augustus 2002 sprake was van een
gezamenlijke huishouding, is derhalve uitsluitend bepalend of appellante
en [partner] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen
van de sociale recherche een toereikende grondslag bieden voor het
standpunt van gedaagde dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord.
De Raad neemt hierbij in aanmerking dat [partner] niet over een eigen
woonruimte beschikte en dat zijn eenmanszaak, die hij van 4 maart tot
1997 tot 12 februari 2001 en vanaf 2 juli 2001 had ingeschreven bij de
Kamer van Koophandel, was geregistreerd op het woonadres van appellante.
Appellante heeft op 27 augustus 2002 ten overstaan van de sociale
recherche verklaard dat zij [partner] dertien jaar kent, dat zij sinds
zeven jaar een echte relatie hebben en dat hij in hoofdzaak bij haar
verblijft. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante
niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar verklaring onder
ontoelaatbare druk heeft afgelegd. Daarbij heeft [partner] op 17
september 2002 ten overstaan van de sociale recherche verklaard dat hij
sinds dertien jaar een relatie met appellante heeft, regelmatig bij haar
in huis is en dat zijn bedrijfsadres zijn verblijfsplaats is. Voorts is
bij observaties in het tijdvak van 14 september 2001 tot 18 oktober 2001
vastgesteld dat [partner] bij appellante verbleef en de beschikking had
over een sleutel van haar woning. Ten slotte blijkt uit
politie-informatie dat [partner] in de periode van 8 februari 1996 tot en met 12 juli 2001 bij huisbezoeken in de woning
van appellante is aangetroffen.
De door appellante in beroep en in hoger beroep overgelegde
tegenverklaringen bevatten geen aanknopingspunten voor een ander
oordeel.
Het voorgaande brengt mee dat appellante ten tijde in geding een
gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, vierde
lid, aanhef en onder b, van de Abw. Door hiervan geen melding te maken,
heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting als
bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden.
Gedaagde was derhalve gehouden om met toepassing van artikel 69, derde
lid, aanhef en onder a, van de Abw over te gaan tot intrekking van het
recht van appellante op bijstand over de perioden van 4 maart 1998 tot 1
september 1998, van 8 februari 2000 tot 1 oktober 2001 en van 18 januari 2002 tot 1 augustus 2002. Vanwege het
bestaan van een gezamenlijke huishouding was appellante niet als een
zelfstandig subject van bijstand aan te merken, zodat geen recht op
bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder bestond. Van
dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op
grond waarvan gedaagde bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van
intrekking af te zien, is de Raad niet gebleken.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden
voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde
gehouden was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over
voormelde perioden. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien is de Raad niet gebleken.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De
aangevallen uitspraak komt derhalve, voorzover aangevochten, voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 december
2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S.W.H. Peeters.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.
|
|