|
Uitspraak
04/4321
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan
den IJssel, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25
juni 2004, reg.nr. NABW 03/3376.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nr. 04/4320 NABW,
behandeld ter zitting van 22 november 2005, waar appellant niet is
verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
S. van Boxel, werkzaam bij de gemeente Capelle aan den IJssel. Na de
behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt
afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant heeft op 10 maart 2003 een aanvraag om een uitkering ingevolge
de Algemene bijstandswet (Abw) ingediend. Gedaagde heeft aan appellant
over maart 2003 een voorschot verleend tot een bedrag van € 640,--. Op
15 april 2003 is met het oog op de beoordeling van de aanvraag op het
adres van appellant een onaangekondigd huisbezoek afgelegd waarbij werd
geconstateerd dat de woning leegstond. Naar aanleiding hiervan heeft
gedaagde appellant bij brief van 22 april 2003 uitgenodigd om op 25
april 2003 gegevens over zijn huidige woonsituatie te overleggen.
Hierbij is appellant meegedeeld dat, indien hij de gevraagde gegevens
niet tijdig overlegt, de aanvraag niet in behandeling zal worden
genomen.
Bij besluit van 7 mei 2003 heeft gedaagde de aanvraag van appellant met
toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten op de grond dat appellant
geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van gedaagde om nadere
inlichtingen te verstrekken. Tevens heeft gedaagde het verleende
voorschot met toepassing van artikel 80 van de Abw van appellant
teruggevorderd.
Bij besluit van 3 oktober 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 7 mei 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent
proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 3 oktober
2003 gegrond verklaard voorzover dat betrekking heeft op de
terugvordering van het verleende voorschot, dat besluit in zoverre
wegens een onjuiste wettelijke grondslag vernietigd, de rechtsgevolgen
van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand gelaten en het
beroep voor het overige ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte
van het besluit van 3 oktober 2003 in stand zijn gelaten en het beroep
ongegrond is verklaard.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het niet behandelen van de aanvraag van 10 maart 2003
Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan
besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft
voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van
de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende
zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de
beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een
door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen.
Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is
onder meer sprake van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag, indien
onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt die een goede
beoordeling van de zaak mogelijk maken. Daarbij gaat het, gelet op
artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing
op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de
beschikking kan krijgen.
De Raad stelt aan de hand van de gedingstukken vast dat appellant geen
gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging van gedaagde om op 25 april 2003
gegevens over zijn huidige woonsituatie te overleggen.
Gelet op de destijds bestaande onduidelijkheid omtrent de woonsituatie
van appellant heeft gedaagde zich terecht op het standpunt gesteld dat
de gevraagde gegevens noodzakelijk zijn om het recht op bijstand te
kunnen vaststellen. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat appellant
niet over de gevraagde gegevens beschikte of redelijkerwijs kon
beschikken en deze niet tijdig kon overleggen. Dat appellant zoals
gesteld als gevolg van psychische decompensatie niet in staat was gehoor
te geven aan de uitnodigingen en de gegevens niet kon overleggen, acht
de Raad niet aannemelijk gemaakt. Uit de door appellant overgelegde
brief van de huisarts van 7 mei 2003 blijkt weliswaar dat hij
stressklachten had, maar niet dat hij als gevolg daarvan ten tijde hier
van belang buiten staat was gedaagde juist en volledig over zijn woon-
en leefsituatie te informeren. De Raad hecht in dit verband betekenis
aan de Rapportage Medisch Onderzoek van Argonaut van 11 februari 2003.
Daaruit blijkt dat appellant psychische klachten had, maar dat deze
klachten geen grote beperkingen in het dagelijks leven opleverden.
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat gedaagde bevoegd was
om de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb
buiten behandeling te stellen. De Raad ziet voorts geen grond om te
oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het
buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.
Terugvordering
De Raad zal vervolgens bezien of er, gegeven de - in hoger beroep niet
aangevochten - vernietiging door de rechtbank van het besluit van 3
oktober 2003 voorzover dat betrekking heeft op de terugvordering,
aanleiding is de rechtsgevolgen van dat vernietigde gedeelte in stand
te laten.
Ingevolge artikel 80 van de Abw vorderen burgemeester en wethouders een
op grond van artikel 74 verleend voorschot terug van de belanghebbende
voorzover zij na onderzoek vaststellen dat over de betreffende periode
geen recht op bijstand bestaat. Zoals de Raad reeds eerder heeft
overwogen (zie onder meer de uitspraak van 15 juni 2004, LJN AP1847)
kunnen op grond van artikel 80 van de Abw alleen die voorschotten worden
teruggevorderd die zijn verstrekt gedurende de in artikel 68 van de Abw
neergelegde beslistermijn. Voorts heeft de Raad in zijn uitspraak van
13 mei 2003 (LJN AI6111) beslist dat het in overeenstemming met de
strekking van artikel 80 van de Abw is om het geval waarin de aanvraag
niet heeft geleid tot toekenning van een recht op bijstand, omdat
toepassing is gegeven aan artikel 4:5 van de Awb, op één lijn te
stellen met dat waarin wel is vastgesteld dat geen recht op bijstand
bestaat. De Raad stelt vervolgens op grond van de gedingstukken vast dat
het voorschot over maart 2003 aan appellant is verleend op een moment
dat de termijn om een besluit te nemen op de aanvraag van 10 maart 2003
nog niet was verstreken. Anders dan de rechtbank is de Raad dan ook van
oordeel dat gedaagde op grond van artikel 80 van de Abw gehouden was
dit voorschot van hem terug te vorderen.
In hetgeen namens appellant is aangevoerd ziet de Raad geen dringende
redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat
gedaagde niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering af
te zien.
Gelet hierop komt de Raad, zij het op andere gronden dan de rechtbank,
tot de slotsom dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van
het besluit van 3 oktober 2003 in stand moeten worden gelaten.
Slotoverwegingen
De aangevallen uitspaak komt, voorzover aangevochten, voor bevestiging
in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M.
Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H.
Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3
januari 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
|
|