|
Uitspraak
04/7192
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Amsterdam van 3 november 2004, reg.nr. 03/4680 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 februari 2006, waar appellant
is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. M.H.M. Diderich, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontving ten tijde van belang van gedaagde bijstand ingevolge
de Algemene bijstandswet.
Bij besluit van 23 mei 2003 heeft gedaagde het verzoek van appellant om
een stage te mogen volgen afgewezen.
Tegen dit besluit heeft appellant bij schrijven gedateerd 2 juli 2003
bezwaar gemaakt. Op het bezwaarschrift is door middel van een stempel
als ontvangstdatum 8 juli 2003 aangegeven.
Gedaagde heeft appellant bij brief van 18 juli 2003 medegedeeld dat het
bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn is ingediend en hem in de
gelegenheid gesteld aan te geven waarom het te laat is ingediend.
Bij brief van 5 augustus 2003 heeft appellant meegedeeld dat hij het
bezwaarschrift op 2 juli 2003 in de grijze brievenbus van de Sociale
Dienst aan de Berbenisstraat heeft gedeponeerd.
Bij besluit van 7 oktober 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 23 mei 2003 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het
bezwaarschrift niet binnen de ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet
bestuursrecht geldende termijn is ingediend en voorts dat appellant
daarbij in verzuim is geweest.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 7 oktober 2003 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant niet heeft kunnen aantonen
dat hij het bezwaarschrift voor het verstrijken van de bezwaartermijn in
de grijze bus heeft gedeponeerd, zodat gedaagde het bezwaar terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten
grondslag gelegde overwegingen geheel. Hetgeen appellant in hoger beroep
heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C van Sloten als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2006.
(get.) Th.C van Sloten.
(get.) M. Pijper.
|
|