|
Uitspraak
04/5279
NABW en 06/1179 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. H. Reinstra, werkzaam bij Rechtshulp Noord,
Bureau Friesland, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Leeuwarden van 18 augustus 2004, reg.nr. 04/64 ABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de Raad heeft gedaagde nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 februari 2006, waar voor
appellant is verschenen mr. A. Atema, kantoorgenoot van mr. Reinstra, en
waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Bij besluit op bezwaar van 3 december 2003, voorzover in hoger beroep
nog van belang, heeft gedaagde de afwijzing van het verzoek van
appellant om bijzondere bijstand in de kosten van een
boekhouder/accountant voor het op orde brengen van de boekhouding van
diens voormalige bedrijf gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak, voorzover van belang, heeft de rechtbank
het beroep daartegen ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat
gedaagde gehouden is hem bijstand om niet te verlenen in de kosten van
een boekhouder. Daarbij heeft appellant zich in het bijzonder beroepen
op een in een besluit van 30 juni 2003 tot uitstel van betaling van een
schuld opgenomen zinsnede met de volgende inhoud: “…(uw
contactpersoon [naam contactpersoon] zal regelen dat u een boekhouder in
de hand kunt nemen).”
Hangende het hoger beroep heeft gedaagde bij besluit van 27 april 2005
met betrekking tot de gevraagde bijstand in de kosten van een boekhouder
beslist dat:
"a) de te verlenen bijstand in eerste instantie wordt beperkt tot
de uitgaven die nodig zijn voor het in beeld brengen van de kosten van
de boekhouder enerzijds en de op basis daarvan te verwachten revenuen in
relatie tot de algehele vermogenssituatie van belanghebbende anderzijds;
b) vervolgens op basis van deze gegevens en de jegens belanghebbende
gewekte verwachting wordt bepaald welke kosten voor verdere bijstand in
aanmerking komen;
c) de bijstand op grond van artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b,
van de Wet werk en bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening
en eerst wordt uitbetaald na ondertekening van de overeenkomst van
geldlening met de vermelding van het bedrag van de
uitbetaling;…".
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad merkt het besluit van 27 april 2005 aan als een besluit in de
zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dit
besluit niet geheel is tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant
dient de Raad dit besluit gelet op artikel 6:19 in verbinding met
artikel 6:24 van de Awb mede in zijn beoordeling te betrekken. De Raad
stelt voorts vast dat het besluit van 27 april 2005 geheel in de plaats
is getreden van het besluit van 3 december 2003, voorzover nog in
geding, zodat appellant geen belang meer heeft bij een beslissing op het
hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Dit brengt mee dat het
hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Met betrekking tot het besluit van 27 april 2005 overweegt de Raad het
volgende.
Zoals hierboven is aangegeven is het besluit van 27 april 2005 om
appellant bijstand in de vorm van een geldlening te verlenen gebaseerd
op de Wet werk en bijstand (Wwb). Dit is niet juist. Met dit besluit is
teruggekomen van de weigering om appellant bijstand in de kosten van een
boekhouder te verlenen. Het daartegen gemaakte bezwaar dateert van vóór
31 december 2003, zijnde de peildatum, bedoeld in artikel 1, aanhef en
onder b, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (IWwb). Uit artikel
21, eerste lid, aanhef en onder a, van de IWwb volgt dat met toepassing
van de Abw nader op dat bezwaar had moeten worden beslist. Het beroep
dient, voorzover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het
besluit van 27 april 2005, dan ook gegrond worden verklaard. Dit besluit
dient te worden vernietigd, omdat het op een onjuiste wettelijke
grondslag berust.
Teneinde tot een materiële beslechting van het geschil te komen zal de
Raad op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting bezien
of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit
met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te
laten.
Naar het oordeel van de Raad dient gedaagde, alvorens te besluiten
omtrent bijstandsverlening in de kosten van een boekhouder, onderzoek te
doen naar de noodzaak en omvang van deze kosten. In het kader daarvan is
gedaagde bevoegd aan appellant een verplichting op te leggen als bedoeld
in artikel 106 van de Abw om in te stemmen met een vooronderzoek door
een boekhouder, zodat gedaagde afhankelijk van de resultaten van dat
onderzoek een definitief besluit dienaangaande kan nemen. Het onder punt
(a) van het besluit van 27 april 2005 gestelde ziet op dit
vooronderzoek. De Raad ziet geen grond te oordelen dat gedaagde niet in
redelijkheid van die bevoegdheid gebruik zou kunnen maken.
Appellant heeft met de verwijzing naar de hierboven aangehaalde zinsnede
in het besluit van 30 juni 2003 een beroep gedaan op het
vertrouwensbeginsel in die zin dat gedaagde op grond van die zinsnede
gehouden zou zijn om appellant bijstand om niet te verlenen in de kosten
van een boekhouder. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, omdat
gedaagde met deze zinsnede weliswaar heeft aangeven dat besluitvorming
over bijstand in die kosten zal plaatsvinden maar daarmee geen enkele
toezegging heeft gedaan over de omvang en de vorm van die
bijstandsverlening.
De keuze van gedaagde om de bijstand in de vorm van een geldlening in
plaats van om niet te verlenen acht de Raad gerechtvaardigd. Zoals
hierna zal blijken wordt in dit geval voldaan aan de voorwaarden voor
toepassing van (het met artikel 48, tweede lid, van de Wwb overeenstemmende) artikel 24, aanhef en onder
b, van de Abw. Ingevolge
laatstgenoemde bepaling kan bijstand worden verleend in de vorm van een
geldlening of borgtocht indien de noodzaak tot bijstandsverlening het
gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
voorziening in het bestaan.
Met gedaagde is de Raad van oordeel dat appellant blijk heeft gegeven
van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
voorziening in het bestaan. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat
appellant tekort is geschoten in zijn verantwoordelijkheid als
ondernemer om over de periode van 1996 tot aan de bedrijfsbeëindiging
op 24 november 2001 een deugdelijke administratie te voeren die nodig is
om het netto jaarinkomen te kunnen vaststellen. Naar het oordeel van de
Raad zou gedaagde bij afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken
belangen in redelijkheid tot verlening van bijstand in de vorm van een
geldlening kunnen besluiten op grond van artikel 24, aanhef en onder b,
van de Abw.
Het voorgaande brengt mee dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen
besluit van 27 april 2005 in stand kunnen blijven.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in hoger beroep, begroot op € 644,-- voor
verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voorzover dit geacht moet worden gericht te zijn
tegen het besluit van 27 april 2005 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 27 april
2005 in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Leeuwarden
aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Leeuwarden aan appellant het in hoger beroep
betaalde griffierecht van € 102,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A.
van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in
tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 28 maart 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M. Pijper.
|
|