|
Uitspraak
04/3023
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
’s-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie
van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de
Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder
gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.
Namens appellante heeft mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te
Rijswijk, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
’s-Gravenhage van 20 april 2004, reg.nr. 03/1908 ABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nr. 04/3020 NABW,
behandeld ter zitting van 7 februari 2006, waar appellante in persoon is
verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wetering, en waar gedaagde zich
niet heeft laten vertegenwoordigen. Na de sluiting van het onderzoek ter
zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden
afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante heeft op 26 augustus 1998 een aanvraag ingediend om
bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ter
voorziening in de kosten van het door haar gevolgde dieet.
Bij besluit van 29 oktober 1998 heeft gedaagde aan appellante over de
periode van 25 augustus 1998 tot en met 31 augustus 1999 bijzondere
bijstand voor dieetkosten toegekend tot een bedrag van f 300,-- per
maand.
Bij besluit van 25 juni 1999 heeft gedaagde de door appellante tegen het
besluit van 29 oktober 1998 ingediende bezwaren in zoverre gegrond
verklaard, dat haar ook over de periode van 19 juni 1997 tot en met 24
augustus 1998 f 300,-- per maand bijzondere bijstand voor dieetkosten
wordt verstrekt.
De Raad heeft bij uitspraak van 29 april 2002, reg.nr. 00/5835 NABW, het
beroep tegen het besluit van 25 juni 1999 gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt
met inachtneming van deze uitspraak. De Raad heeft daarbij overwogen als
volgt:
"Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 19 maart 1996,
gepubliceerd in JABW 1996, 119, overweegt de Raad dat het
combinatiedieet dat appellante als gevolg van meerdere
voedselintoleranties dient te volgen, geen eenvoudige optelsom is van
twee of meer normdiëten, maar de uitkomst van een door middel van het
volgens de regels van de dieetleer ineenschuiven van deze normdiëten,
zodat een voor alle diagnosen verantwoord en op de persoon toegesneden
dieet resulteert. De kosten welke aan het aldus samengestelde dieet zijn
verbonden dienen vervolgens te worden berekend en afgezet tegen de
kosten van de zogenaamde referentievoeding. De Raad voegt hieraan toe
dat de hiervoor beschreven methode kan, maar niet noodzakelijkerwijs
behoeft te resulteren in een hoger bedrag aan meerkosten dan de som van
de kosten van de normdiëten.
Aangezien gedaagde bij de voorbereiding van het bestreden besluit
verzuimd heeft de hoogte van de voor bijzondere bijstand in aanmerking
komende meerkosten vast te stellen op basis van een kostenberekening als
hiervoor omschreven, is dit besluit naar het oordeel van de Raad niet
met de vereiste zorgvuldigheid genomen, zodat het wegens strijd met
artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in
aanmerking komt. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in
stand is gelaten, dient te worden vernietigd.
Het is nu aan gedaagde om met het oog op het nieuw te nemen besluit op
bezwaar een nader advies aan te vragen dat is toegesneden op de
specifieke situatie van appellante, en op basis daarvan het bedrag van
de voor vergoeding in aanmerking komende dieetkosten opnieuw vast te
stellen.".
Gedaagde heeft bij brief van 10 januari 2003 het Voedingscentrum te
’s-Gravenhage verzocht advies uit te brengen over de meerkosten van
het door appellante te volgen dieet. Daarbij heeft gedaagde gevoegd een
door de huisarts van appellante op 22 juli 2002 ingevuld formulier dat
appellante in verband met voedselintoleranties en allergie een
benzoëzuur-,
AZO-kleurstoffen en salicylatenvrij, koemelkvrij, lactosevrij,
glutenvrij, suikervrij en biogene aminenbeperkt dieet dient te volgen.
Voorts heeft gedaagde het Voedingscentrum een op verzoek van appellante,
op basis van door appellante aangeleverde gegevens door een diëtiste
E.A.M. Lincklaen Arriëns-Heus opgestelde berekening van het dieet van
appellante ter beschikking gesteld. Het Voedingscentrum heeft op 30
januari 2003 advies uitgebracht.
Bij besluit van 21 maart 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 29 oktober 1998 ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daarbij
met inachtneming van het advies van het Voedingscentrum de voor
bijzondere bijstand in aanmerking komende dieetkosten over de periode
van 1 juni 1997 tot en met 31 augustus 1999 vastgesteld op € 71,80 (f
158,23) per maand. Voorts heeft gedaagde meegedeeld dat de over die
periode tot een te hoog bedrag betaalde bijzondere bijstand voor
dieetkosten niet van appellante wordt teruggevorderd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 21 maart 2003 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij
heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar, gelet op de inhoud
van het besluit van 21 maart 2003, gegrond had moeten worden verklaard.
Voorts heeft zij aangevoerd dat de meerkosten van het door haar gevolgde
dieet hoger zijn dan waarvan gedaagde is uitgegaan.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Uit de overwegingen van het besluit van 21 maart 2003 blijkt dat
gedaagde het besluit van 29 oktober 1998 heeft heroverwogen, dat die
heroverweging gedaagde aanleiding heeft gegeven dat besluit te herroepen
en dat gedaagde in plaats daarvan een nieuw besluit heeft genomen.
Daarmee heeft gedaagde toepassing gegeven aan artikel 7:11, tweede lid,
van de Awb. Anders dan appellante veronderstelt, schrijft dit artikel
niet voor dat in geval van herroeping van het primaire besluit het
bezwaar gegrond dient te worden verklaard.
Kern van het geschil tussen partijen vormt de vraag, of gedaagde de -
als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten
als bedoeld in artikel 39, eerste lid, (oud) van de Abw aan te merken -
meerkosten van het door appellante gevolgde dieet op goede gronden heeft
vastgesteld op een bedrag van € 71,80 (f 158,23) per maand.
De Raad stelt vast dat gedaagde zich bij de bepaling van de meerkosten
van het door appellante gevolgde dieet heeft gebaseerd op het door het
Voedingscentrum in zijn advies van 30 januari 2003 genoemde bedrag. In
dat advies is vermeld dat het Voedingscentrum bij de berekening van de
meerkosten van diëten een door de voormalige Voedingsraad aanbevolen
methode hanteert. Uit het advies blijkt verder dat bij de berekening van
de meerkosten van het dieet van appellante rekening is gehouden met het
dieetvoorschrift van haar behandelend arts van 22 juli 2002. Daarnaast
is aangegeven waarom de meerkosten van het door appellante te volgen
dieet overeenkomen met de meerkosten van een koemelk- en glutenvrij
dieet. Uit een bij het advies gevoegd rapport van 30 november 1998
blijkt dat het Voedingscentrum de meerkosten van een koemelkeiwit- en
glutenvrij dieet ten opzichte van de referentievoeding voor mannen van
14 tot 60 jaar heeft becijferd op f 1.898,74 per jaar. Het
Voedingscentrum raamt de meerkosten van het door appellante te volgen
dieet in 1997 en 1998 op hetzelfde bedrag.
De Raad is niet gebleken dat het advies van het Voedingscentrum
onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De Raad heeft voorts geen
aanknopingspunten gevonden om dat advies voor onjuist te houden.
Gedaagde heeft dan ook op grond van dat advies het standpunt kunnen
innemen dat de meerkosten van het dieet van appellante over de periode
van 1 juni 1997 tot en met 31 augustus 1999 € 71,80 (f 158,23) per
maand bedroegen.
Appellante kan naar het oordeel van de Raad niet worden gevolgd in haar
stelling dat het advies van het Voedingscentrum door gedaagde niet
gevolgd had mogen worden omdat de daarin opgenomen berekening van de
meerkosten niet voldoet aan de daaraan in de uitspraak van de Raad van
29 april 2002 gestelde eisen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat
gedaagde appellante bij brief van 20 november 2002 heeft verzocht om een
gespecificeerde door haar behandelend arts ondertekende dieetlijst en
appellante aan dat verzoek geen gehoor heeft gegeven. Voorts heeft
gedaagde, alvorens het besluit van 21 maart 2003 te nemen, appellante in
de gelegenheid gesteld op het advies van het Voedingscentrum te
reageren, maar appellante heeft van die gelegenheid geen gebruik
gemaakt. Gelet op deze opstelling van appellante, lag het op haar weg
aannemelijk te maken dat het advies van het Voedingscentrum onjuist is.
Daarin is appellante niet geslaagd.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en
mr. J.J.A. Kooijman en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid
van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21
maart 2006.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|