|
Uitspraak
meervoudige kamer
04/
6649 NABW en 04/6651 NABW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te
[woonplaats] (hierna: appellanten),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 november
2004, 04/172 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond
(hierna: College).
Datum uitspraak: 4 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven,
hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 14 maart
2006, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Bij besluit van 28 november 2002 heeft het College wegens bijzondere
omstandigheden het restant van een fraudevordering op appellanten
voorwaardelijk buiten invordering gesteld. Daarbij is bepaald dat
appellanten van de restvordering van € 43.252,14 een bedrag van €
6.806,70 ineens dienden te betalen aan de Dienst samenleving en economie
van de gemeente Helmond en dat de lopende bijstandsuitkering zal worden
beëindigd zodra de start als zelfstandige een feit is. Met ingang van 1
februari 2003 is de bijstandsuitkering van appellanten beëindigd en op
26 mei 2003 is door appellanten het bedrag van € 6.806,70 voldaan.
Op 16 december 2002 is door de politie Brabant Zuidoost een inval
gedaan op het woonadres van appellanten. Daarbij is in de woning en in
de loods/garage achter de woning van appellanten naast apparatuur voor
een hennepkwekerij een aantal hennepknippers in werkkleding
aangetroffen. Tevens stond op de binnenplaats een bestelbus van
appellanten geparkeerd met daarin een aantal tonnen met hennepafval. Een
en ander heeft onder meer aanleiding gevormd het recht op bijstand van
appellanten over de periode van 21 oktober 2002 tot en met 16 december
2002 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode
van hen terug te vorderen.
Bij besluit van 21 juli 2003 heeft het College de
buiteninvorderingstelling ongedaan gemaakt op de grond dat appellanten
onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van
juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
Bij besluit van 17 december 2003 heeft het College de tegen het besluit
van 21 juli 2003 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 17 december 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep hebben appellanten zich gemotiveerd tegen de uitspraak
van de rechtbank gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt vast dat het College bij het besluit van 21 juli 2003
ambtshalve ten nadele van appellanten is teruggekomen van de in het
besluit van 28 november 2002 neergelegde voorwaardelijke afkoopregeling.
Naar vaste rechtspraak van de Raad is een dergelijk terugkomen van een
eerder (begunstigend) besluit onder omstandigheden geoorloofd, tenzij
het in strijd komt met in acht te nemen algemene beginselen van
behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel.
Naar het oordeel van de Raad is van een dergelijk beletsel in
onderhavige zaak geen sprake. Uit de gedingstukken kan immers worden
afgeleid dat de achterliggende gedachte bij het besluit van 28 november
2002 is geweest om appellant, gelet op de - gezien zijn (arbeids)verleden
en persoon - beperkt ingeschatte mogelijkheden tot inschakeling in de
arbeid, een kans te bieden samen met een compagnon een caravanhandel te
beginnen en aldus bijstandsonafhankelijk te worden. Vaststaat dat
appellanten aan het College geen mededeling hebben gedaan van hun
activiteiten in dan wel hun betrokkenheid bij de op hun woonadres
aangetroffen hennepkwekerij en/of -knipperij. De Raad acht voorts
voldoende aannemelijk dat indien appellanten destijds volledig openheid
van zaken hadden gegeven het besluit tot voorwaardelijke afkoop van de
restantvordering niet door het College zou zijn genomen. Van strijd met
het rechtszekerheidsbeginsel is in dit geval geen sprake, reeds omdat
appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in
artikel 65, eerste lid, van de Abw niet naar behoren zijn nagekomen.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en R.H.M.
Roelofs en C.J. Borman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van R.J. van der Veen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4
april 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.J. van der Veen.
|
|