|
Uitspraak
05/196
NABW en 05/197 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. B.P.A. van Beers, advocaat te Roosendaal,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21
december 2004, reg.nrs. 04/14 NABW en 04/91 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 februari 2006, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. van Beers, en waar
gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontvangt sedert 1985 een bijstandsuitkering, laatstelijk
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een
alleenstaande.
Ten tijde hier van belang woonde appellant in een stacaravan, die stond
geplaatst op een aan de gemeente Rucphen in eigendom toebehorend
perceel. Appellant maakte gebruik van water via een waterslang vanaf een
nabij gelegen gemeentelijke opslagplaats. Op 14 mei 2003 heeft gedaagde
appellant laten weten dat de waterleverantie naar zijn adres zal worden
stopgezet wegens het voornemen van de gemeente het perceel waarop
appellants stacaravan staat bouwrijp te maken. In verband hiermee heeft
appellant op 20 juni 2003 op grond van de Abw bijzondere bijstand
aangevraagd in de kosten verbonden aan het aansluiten van zijn
stacaravan op het waterleidingnet.
Bij besluit van 19 augustus 2003 heeft gedaagde de aanvraag afgewezen.
Aan dit besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat de gevraagde
kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die
appellant dient te voldoen uit de lopende bijstandsuitkering en dat er
geen bijzondere omstandigheden zijn om daarvan af te wijken.
Bij besluit van 19 december 2003 heeft gedaagde het tegen het besluit
van 19 augustus 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voorzover hier van
belang - het beroep tegen het besluit van 19 december 2003 ongegrond
verklaard.
Der Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 39, eerste lid, van de Abw is bepaald dat, onverminderd
hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere
bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de
middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden
voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar
het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan
uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de
aanwezige draagkracht.
De kosten verband houdende met een aansluiting op het waterleidingnet
behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van
het bestaan, die de betrokkene in beginsel uit de bijstandsnorm dient te
voldoen, hetzij door middel van reservering, hetzij door gespreide
betaling achteraf (bijvoorbeeld door aflossing op een lening).
Niet in geschil is dat de kosten in geding zijn aan te merken als
noodzakelijke kosten.
De Raad ziet evenwel met de rechtbank en gedaagde onvoldoende
aanknopingspunten om in dit geval te kunnen spreken van uit bijzondere
omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten als bedoeld in
artikel 39, eerste lid, van de Abw. Hij overweegt daartoe dat appellant
heeft voorzien in de kosten in geding ten bedrage van € 776,26 door op
14 augustus 2003 van [betrokkene] geld te lenen, waarbij is
overeengekomen dat het geleende bedrag in termijnen wordt afgelost.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat
gedaagde de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen.
In hetgeen appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de
Raad geen grond voor een andersluidend oordeel.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de
aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C.
Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2006.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) R.C. Visser.
|
|