|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/5690 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Arnhem van 10 augustus 2005, reg.nr. 05/1922.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 februari 2006, waar
appellante in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich, zoals
aangekondigd, niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Bij besluit van 15 november 2004 heeft gedaagde appellante en haar
echtgenoot [partner] ingaande 17 september 2004 bijstand ingevolge het
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 toegekend. Bij besluit van
7 april 2005, verzonden op 13 april 2005, heeft gedaagde het bezwaar
tegen het besluit van 15 november 2004, dat gericht was tegen de
ingangsdatum van de uitkering, ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 7 april 2005 niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is de
rechtbank tot de slotsom gekomen dat appellante de termijn voor het
instellen van beroep heeft overschreden nu de termijn voor het indienen
van een beroepschrift eindigde op 25 mei 2005 en de rechtbank het
beroepschrift van appellante eerst op 3 juni 2005 heeft ontvangen.
Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien deze
termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
Appellante kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat
de termijnoverschrijding, die overigens niet wordt betwist, niet
verschoonbaar is geacht. In dat kader heeft appellante aangevoerd dat
zij binnen de beroepstermijn het indienen van een beroepschrift vanwege
persoonlijke omstandigheden uit handen heeft gegeven aan haar
boekhouder. Eerst na het verstrijken van de beroepstermijn vernam zij
dat de boekhouder, ook vanwege persoonlijke omstandigheden, had verzuimd
een beroepschrift in te dienen. Nu de boekhouder de belangen van
appellante onder de gegeven omstandigheden niet naar behoren heeft
behartigd, verzoekt zij de termijnoverschrijding van het beroep
verschoonbaar te achten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad dienen de gevolgen van
(processueel) handelen of nalaten van een gemachtigde voor rekening te
blijven van degene die de behartiging van zijn belangen aan die
gemachtigde heeft toevertrouwd. In hetgeen door appellante in dit kader
naar voren is gebracht ziet de Raad geen aanleiding om daarover anders
te oordelen.
Dit brengt de Raad tot de slotsom dat de rechtbank het beroep terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
Ten slotte ziet de Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
R.J. van der Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28
februari 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.J. van der Veen.
|
|