|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/5415
NABW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger
beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2005, 05/86
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,
(hierna: College).
Datum uitspraak: 24 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet
bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 29 november 2005 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger
beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 29 november 2005 heeft appellant
verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2006.
Appellant is verschenen. Het College heeft zich niet laten
vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 29 november 2005 berust hierop, dat
appellant het in hoger beroep verschuldigde griffierecht van € 103,--
niet binnen de bij de aangetekend verzonden brief van de griffier van de
Raad van 29 september 2005 gestelde termijn van vier weken heeft
voldaan, en dat op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden
geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Op grond van hetgeen in het kader van de verzetprocedure is gebleken,
stelt de Raad vast dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat
appellant in verzuim is geweest. De Raad acht daarvoor doorslaggevend
dat appellant uitdrukkelijk de intentie heeft gehad het verschuldigde
griffierecht binnen de betalingstermijn te voldoen, en voorts dat hem
onvoldoende verwijt treft ter zake van het gegeven dat een bedrag van
€ 3,-- eerst na het verstrijken van de betalingstermijn op de rekening
van de Raad is bijgeschreven.
Gelet op het voorgaande dient het verzet gegrond te worden verklaard.
Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 29 november 2005 vervalt
en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich
bevond.
Nu het uiteindelijk betaalde bedrag van € 103,-- inmiddels aan
appellant is terugbetaald, zal de griffier van de Raad, bij aangetekende
brief, aan appellant een nieuwe termijn van vier weken stellen voor de
betaling van het griffierecht.
De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de door
appellant in verband met de verzetprocedure gemaakte proceskosten,
begroot op € 15,80 aan reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet gegrond;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag
van € 15,80, te betalen door de gemeente Rotterdam.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken
in het openbaar op 24 april 2006.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
|
|