|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/229 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Breda van 3 december 2004, reg.nr. 04/1214 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 10 januari 2006, waar partijen
niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Bij besluit van 27 november 2003 heeft gedaagde de aanvraag van
appellant om bijzondere bijstand voor het volgen van een opfriscursus
metselen afgewezen.
Bij brief van 13 januari 2004 heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt.
Gedaagde heeft geconstateerd dat het bezwaarschrift na het verstrijken
van de wettelijke termijn is ingediend, heeft afgezien van het horen van
appellant en heeft het ingediende bezwaarschrift bij besluit van 29
april 2004 wegens termijnoverschrijding ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 29 april 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
Daartoe heeft hij, kort gezegd en voorzover van belang, aangevoerd dat
hij vanwege zijn bemoeienis met de afwikkeling van de nalatenschap van
zijn ouders en zijn medische situatie buiten staat is geweest adequaat
te reageren en tijdig een bezwaarschrift in te dienen.
De Raad stelt voorop dat hij de op 6 januari 2006 gedateerde brief van
appellant aan de Raad buiten beschouwing laat, nu nadere stukken
ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) slechts tot tien dagen voor de zitting kunnen worden ingediend en
appellant daarop in de uitnodiging voor de zitting is gewezen.
De Raad overweegt voorts het volgende.
Tussen partijen is niet in geding, en ook voor de Raad staat vast, dat
appellant eerst na het verstrijken van de geldende bezwaartermijn
schriftelijk bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 27 november
2003.
De Raad leidt uit de stukken af dat appellant niet voorafgaand aan het
besluit op bezwaar is gevraagd naar de reden van termijnoverschrijding
en evenmin in de gelegenheid is gesteld die termijnoverschrijding toe te
lichten, terwijl ook overigens niet uit het bezwaarschrift valt op te
maken wat de grond van de te late indiening van het bezwaar was.
De Raad stelt voorts vast dat de rechtbank dit niet heeft onderkend en
bovendien geen juiste consequenties heeft verbonden aan het feit dat
gedaagde het (te laat) ingediende bezwaar ongegrond heeft verklaard. De
enkele overweging dat het “dictum” van het besluit op bezwaar op een
kennelijke verschrijving berust volstaat in dat verband niet.
Een en ander brengt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak
voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou
behoren te doen, zal de Raad het (inleidende) beroep gegrond verklaren
en het besluit op bezwaar vernietigen. Voorts ziet de Raad aanleiding
met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak
voorziend, het door appellant ingediende bezwaar alsnog
niet-ontvankelijk te verklaren wegens niet verschoonbare
termijnoverschrijding. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de
inmiddels door appellant in de loop van deze procedure naar voren
gebrachte omstandigheden ter zake van die termijnoverschrijding geen
geldig excuus vormen voor de te late indiening van het bezwaarschrift,
terwijl ook overigens niet is gebleken dat appellant buiten staat is
geweest tijdig bezwaar aan te tekenen tegen het besluit van 27 november
2003. Met name is de Raad niet gebleken van objectieve medische gegevens
die het niet tijdig maken van bezwaar door appellant zelf, of met behulp
van derden, zouden kunnen rechtvaardigen.
De Raad is, ten slotte, niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking
komende proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 29 april 2004;
Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 27 november 2003
niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat de gemeente Alphen-Chaam aan appellant het in beroep en in
hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 133,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van L. Jörg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar
op 7 februari 2006.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) L. Jörg.
|
|