|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/106 NABW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 26 november 2004, 04/947
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar
(hierna: College).
Datum uitspraak: 13 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2006. Appellant
is verschenen, bijgestaan door mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat te Alkmaar. Het College heeft zich laten
vertegenwoordigen door S. Groothuis, werkzaam bij de gemeente Alkmaar.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw)
naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Bij besluit van 24 december 2003 heeft het College besloten tot
voortzetting van de bijstand, waarbij aan appellant de verplichting is
opgelegd deel te nemen aan een traject. Het traject is opgenomen in een
als bijlage bij het besluit gevoegd plan, dat gericht is op het
verbeteren van de positie van appellant op de arbeidsmarkt.
Bij besluit van 30 maart 2004 heeft het College het bezwaar tegen het
besluit van 24 december 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 30 maart 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft
daartoe overwogen - samengevat weergegeven - dat het College bij zijn
besluitvorming heeft gehandeld in overeenstemming met het bepaalde in
artikel 70, derde en vierde lid, van de Abw en het vigerende beleid.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad onderschrijft het hierboven weergegeven oordeel van de rechtbank
en de overwegingen waarop dit oordeel rust. Niet gebleken is dat het
College niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot vaststelling van het
in geding zijnde trajectplan nu dit, gezien de inhoud ervan, gericht is
op vergroting van de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling van
appellant.
Naar aanleiding van het beroep op het vertrouwensbeginsel, inhoudende
dat aan appellant toezeggingen zijn gedaan met betrekking tot het volgen
van een opleiding als chauffeur, overweegt de Raad dat dit beroep niet
slaagt aangezien hem niet is gebleken dat er van de zijde van het
College uitdrukkelijk, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen
zijn gedaan, op grond waarvan het College bij appellant in rechte te
honoreren verwachtingen zou hebben gewekt.
Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en komt de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken
in het openbaar op 13 juni 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
|
|