|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/4271
NABW en 05/4273 NABW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante),
beiden wonende te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 14 juni 2005, 04/926
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Boarnsterhim (hierna: College).
Datum uitspraak: 6 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. R.G. Riemersma, juridisch medewerker van
Rechtshulp Noord, Bureau Friesland, te Leeuwarden, hoger beroep
ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2006. Voor
appellanten zijn verschenen mr. Riemersma. Het College heeft zich niet
laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Appellanten ontvangen sedert 1 mei 2002 - met onderbrekingen - bijstand
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de toepasselijke norm.
Bij besluit van 28 januari 2004 heeft het College met toepassing van
artikel 14, eerste lid, van de Abw en het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw
en Ioaz (Maatregelenbesluit) de bijstand met ingang van 1 januari 2004
voor de duur van twee maanden verlaagd met 100% op de grond dat
appellant door eigen toedoen werkloos is geworden alsmede op de grond
dat appellante heeft geweigerd passende arbeid te aanvaarden.
Bij besluit van 30 juli 2004 heeft het College het bezwaar tegen het
besluit van 28 januari 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellanten tegen het besluit van 30 juli 2004 ongegrond verklaard.
Met betrekking tot appellant heeft de rechtbank overwogen geen
aanleiding te hebben te twijfelen aan de in de rapportage van Traject BV
weergegeven werkhouding van appellant. De rechtbank acht het aannemelijk
dat het ontslag van appellant in hoofdzaak te wijten is aan zijn
negatieve werkhouding, zodat het College zich op basis van deze
rapportage dan ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant
door eigen toedoen zijn arbeid in dienstbetrekking niet heeft behouden.
Met betrekking tot appellante heeft de rechtbank allereerst vastgesteld
dat het recht op bijstand niet was geëindigd ten tijde van het
werkaanbod, zodat voor appellante de verplichtingen van artikel 113,
eerste lid, van de Abw nog onverkort van toepassing waren. Voorts heeft
de rechtbank overwogen appellante niet te volgen in haar stelling dat
vanwege de reistijd de aangeboden functie niet passend zou zijn. Het
College heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat
appellante passende arbeid niet heeft aanvaard.
De rechtbank heeft in de gedingstukken en in hetgeen namens appellanten
is aangevoerd geen gronden gezien om aan te nemen dat deze gedragingen
appellant respectievelijk appellante niet zouden kunnen worden verweten,
zodat het College gehouden was op grond van artikel 14, eerste lid, van
de Abw een maatregel op te leggen. De opgelegde maatregelen zijn in
overeenstemming met het Maatregelenbesluit. Voorts is de rechtbank uit
de gedingstukken niet gebleken dat het College bij het opleggen van de
maatregel geen rekening heeft gehouden met de ernst van de gedragingen,
de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin appellanten
verkeerden. Tot slot is de rechtbank niet gebleken van dringende redenen
in de zin van artikel 14, vierde lid, van de Abw, zodat het College niet
bevoegd was om van het opleggen van een maatregel af te zien.
Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen dit oordeel van de
rechtbank gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Gelet op artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit tot
inwerkingtreding Wet werk en bijstand en Invoeringswet Wet werk en
bijstand (Stb. 2003, 386) in combinatie met het gegeven dat de in
artikel 2, eerste lid, van de Invoeringsregeling WWB (Stcrt. 2004, 57)
bedoelde verordeningen ten tijde hier van belang nog niet tot stand
waren gekomen, stelt de Raad vast dat in de gemeente Boarnsterhim ten
tijde in geding onder meer de artikelen 14 en 113 van de Abw nog van
kracht waren.
De Raad stelt voorts vast dat het College aan de door hem aan
appellanten opgelegde maatregel twee gedragingen ten grondslag heeft
gelegd. Ten eerste dat appellant door eigen toedoen arbeid in
dienstbetrekking niet heeft behouden (artikel 3, aanhef en onderdeel 4,
onder b, van het Maatregelenbesluit) en ten tweede dat appellante
geweigerd heeft passende arbeid te aanvaarden (artikel 3, aanhef en
onderdeel 4, onder a, van het Maatregelenbesluit). De Raad begrijpt het
besluit van 28 januari 2004 dan ook aldus, dat het College twee
afzonderlijke - en aansluitende - maatregelen heeft opgelegd, elk
bestaande uit weigering van de uitkering voor de duur van één maand.
De Raad onderschrijft het hierboven weergegeven oordeel van de rechtbank
en de overwegingen waarop dit oordeel rust. In hetgeen in hoger beroep -
bij wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg - is
aangevoerd noch anderszins in de voorhanden gegevens heeft de Raad
aanknopingspunten gevonden om in een andere zin dan de rechtbank te
oordelen. Hij voegt daaraan toe geen feiten of omstandigheden te zien op
grond waarvan het College met toepassing van artikel 14, tweede lid,
tweede volzin, van de Abw geheel of gedeeltelijk van het opleggen van
een maatregel had moeten afzien.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep van appellanten
terecht ongegrond heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak moet
worden bevestigd en het door appellanten gedane verzoek om veroordeling
tot schadevergoeding moet worden afgewezen.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken
in het openbaar op 6 juni 2006.
(get.) J.J.A. Kooijman.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
|
|