|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/2423
NABW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Anna Paulowna
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 15 maart 2005, 04/952
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).
Datum uitspraak: 13 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, zich als
gemachtigde gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2006. Appellant
heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Nijenhuis. Betrokkene en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet
verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Betrokkene ontving sedert 1988 een bijstandsuitkering, laatstelijk
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een
alleenstaande.
Bij besluit van 30 juli 2003 heeft appellant het recht op bijstand van
betrokkene ingetrokken over de periode van 1 augustus 1998 tot en met 30
april 2003 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een
bedrag van € 52.613,57 van haar teruggevorderd. Daaraan is ten
grondslag gelegd dat betrokkene geen althans onvolledige inlichtingen
heeft verstrekt omtrent haar werkzaamheden en inkomsten in verband met
de handel in schapen en lammeren, het trainen van Border Collies en de
verkoop van hondenvlees en pluche dieren, zodat het recht op bijstand
niet kan worden vastgesteld.
Bij besluit van 29 maart 2004 heeft appellant het tegen het besluit van
30 juli 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen
inzake griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 29 maart
2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en
appellant opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit
op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat
betrokkene de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in
artikel 65 van de Abw niet is nagekomen, maar dat de intrekking van het
recht op bijstand overigens berust op onvolledig onderzoek van de zijde
van appellant en voorts dat een dragende motivering ontbreekt. Bij de
nadere besluitvorming dient appellant, naar het oordeel van de
rechtbank, een globale raming van de inkomsten van betrokkene over het
tijdvak van 1 augustus 1998 tot 28 juli 2003 (lees: 1 mei 2003) te
maken.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank
gekeerd.
Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat het bij een (niet betwiste)
schending van de inlichtingenplicht aan betrokkene is om aannemelijk te
maken dat deze, indien de inlichtingenplicht wel naar behoren was
nagekomen, nog aanspraak had op (aanvullende) bijstand. De door de
rechtbank aan appellant gegeven opdracht tot het - alsnog -
schattenderwijs vaststellen van door betrokkene genoten inkomsten over
de in geding zijnde periode staat haaks op de in zaken als deze, naar
vaste jurisprudentie, te volgen lijn.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt vast dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de
door de rechtbank toegepaste bewijslastverdeling. Hij zal zijn oordeel
dan ook tot dat aspect beperken.
Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 4
mei 2005, LJN AT5535) is in gevallen, waarin is komen vast te staan dat
betrokkene tekort is geschoten in de vervulling van zijn wettelijke
plicht tot het geven van juiste en volledige inlichtingen en ten gevolge
daarvan het recht niet is vast te stellen, het College in beginsel
gerechtigd het recht op bijstand over de betreffende periode in te
trekken en de over die periode ten behoeve van betrokkene gemaakte
kosten van bijstand van hem terug te vorderen. Het is dan aan betrokkene
om feiten te stellen, en zonodig te bewijzen, waaruit kan worden
afgeleid dat aan hem, als hij zijn verplichting tot het geven van
inlichtingen wel naar behoren zou zijn nagekomen, over de betrokken
periode aanvullende bijstand zou zijn verstrekt.
Uit de gedingstukken komt naar voren dat betrokkene geen administratie
of boekhouding over de in geding zijnde periode heeft bijgehouden of
heeft laten opmaken. Daarmee heeft betrokken bewust het risico genomen
dat zij in het kader van een later (fraude)onderzoek niet over de nodige
objectieve bewijsstukken kan beschikken. De Raad stelt verder vast dat
betrokkene ook thans nog niet onder overlegging van in rechte geloof
verdienende bewijsstukken inzicht heeft gegeven in de omvang van de
werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende inkomsten, zelfs niet aan de
hand van een (poging tot) reconstructie van de omvang van de
daadwerkelijke werkzaamheden/activiteiten en een inschatting van de
daaruit verworven inkomsten.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep slaagt, zodat de
aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en R.H.M.
Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 13 juni 2006.
(get.) R.M. van Male.
(get.) R.C. Visser.
|
|