|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/5785
NABW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 augustus 2005,
05/1025 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
(hierna: College).
Datum uitspraak: 11 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P. Hoogenraad, advocaat te Maassluis, hoger
beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2006. Voor
appellante is verschenen mr. Hoogenraad. Het College heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. D. Çevik, werkzaam bij de gemeente
Rotterdam.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Appellante ontvangt sinds 1 september 1999 van het College een
bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb).
Bij besluit van 4 februari 2005, voorzover in hoger beroep van belang,
heeft het College de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 3
februari 2004, 15 maart 2004 en 2 juni 2004 gedeeltelijk gegrond
verklaard en nader beslist dat met toepassing van artikel 14, eerste
lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) twee maatregelen worden
opgelegd, beide inhoudende een verlaging van de bijstand van appellante
met tien procent gedurende een maand. Aan de eerste maatregel, die
betrekking heeft op maart 2004, heeft het College ten grondslag gelegd
dat appellante op 6 januari 2004 heeft geweigerd mee te werken aan het
opstellen van een trajectplan en daardoor haar inschakeling in de arbeid
heeft belemmerd. Het College heeft daarbij overwogen dat, gelet op de
artikelen 3 en 5 van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna:
Maatregelenbesluit), een maatregel van twintig procent gedurende een
maand had moeten worden opgelegd, maar dat daarvan is afgezien in
verband met het verbod van reformatio in peius. Aan de tweede maatregel,
die betrekking heeft op april 2004, heeft het College ten grondslag
gelegd dat appellante op 4 maart 2004, door te volharden in haar
weigering mee te werken aan het opstellen van een trajectplan,
onvoldoende heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
inschakeling in de arbeid of naar de geschiktheid voor scholing of
opleiding.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 4 februari 2005 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Vooraf
Met verwijzing naar de beschrijving van het stelsel van gefaseerde
invoering van de Wwb
en de Invoeringswet Wet werk en bijstand (IWwb) in
de onderdelen 4.1.2 en 4.1.3 van zijn uitspraak van 6 december 2005 (LJN
AU7664) stelt de Raad, gelet op artikel 21, eerste lid, aanhef en onder
b, van de IWwb, vast dat het College terecht met toepassing van de Abw
heeft beslist op de bezwaren van appellante tegen de op grond van de
artikelen 14 en 113 van laatstgenoemde wet en het Maatregelenbesluit
genomen besluiten van 3 februari 2004, 15 maart 2004 en 2 juni 2004.
De Raad overweegt voorts het volgende.
Artikel 14, eerste lid, van de Abw bepaalt, voorzover hier van belang,
dat indien de belanghebbende een op grond van hoofdstuk VIII van de Abw
aan de bijstand verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is
nagekomen, burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of
gedeeltelijk weigeren. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Abw
wordt een maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel
wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt. Burgemeester en wethouders zijn ingevolge artikel 14, vierde
lid, van de Abw daartoe bevoegd indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn. In artikel 14, vijfde lid, van de Abw is bepaald dat bij
algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het eerste en tweede
lid nadere regels kunnen worden gesteld. De desbetreffende algemene
maatregel van bestuur is het Maatregelenbesluit. Ingevolge artikel 3 van
het Maatregelenbesluit worden de gedragingen, bedoeld in artikel 14,
eerste lid, van de Abw onderscheiden in een aantal categorieën. Tot de
tweede categorie behoort onder meer de gedraging: het niet, dan wel in
onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
inschakeling in de arbeid, dan wel aan een onderzoek naar de
geschiktheid voor scholing of opleiding. Tot de derde categorie behoren
onder meer gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren.
Blijkens artikel 5, eerste lid, van het Maatregelenbesluit leiden
gedragingen van de tweede en de derde categorie ertoe dat tien procent
respectievelijk twintig procent van de bijstand gedurende een maand
wordt geweigerd. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van het
Maatregelenbesluit wordt de periode van weigering genoemd in het eerste
lid verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden
opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een
hogere categorie.
De maatregel over maart 2004
Uit de gedingstukken blijkt dat appellante door de Dienst Sociale Zaken
en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (hierna: sociale dienst)
voor het opstellen van een trajectplan is verwezen naar een reďntegratiebedrijf.
Tijdens een intakegesprek met een medewerker van dat bedrijf op 23
oktober 2003 heeft appellante aangegeven dat zij niet wenste deel te
nemen aan een traject. Nadat een medewerker van de sociale dienst
appellante tijdens een gesprek op 27 november 2003 te kennen had gegeven
dat niet meewerken aan het opstellen van een trajectplan (ernstige)
gevolgen kan hebben voor haar uitkering, gaf appellante op 4 december
2003 te kennen dat zij wel zou meewerken. Tijdens een tweede
intakegesprek met een medewerker van het reďntegratiebedrijf op 6
januari 2004 heeft appellante geweigerd akkoord te gaan met het
opstellen van een trajectplan.
Gelet hierop is de Raad met het College van oordeel dat appellante, voor
wie de verplichtingen van artikel 113, eerste lid, van de Abw golden,
heeft geweigerd mee te werken aan het opstellen van een trajectplan. De
Raad ziet in de gedingstukken geen aanknopingspunten op grond waarvan
staande kan worden gehouden dat ter zake elke vorm van verwijtbaarheid
bij appellante ontbreekt. Weliswaar heeft appellante in hoger beroep een
op 16 mei 2006 gedateerde medische rapportage overgelegd van psychiater
dr. C.R. van Meer, maar die rapportage biedt geen objectieve
aanknopingspunten om te oordelen dat appellante op 6 januari 2004 op
medische gronden niet in staat was mee te werken aan het opstellen van
een trajectplan. De Raad tekent daarbij aan dat het opstellen van een
trajectplan mede tot doel heeft de mogelijkheden van arbeidsinschakeling
en sociale activering van appellante in kaart te brengen en dat
appellante verweten kan worden dat zij dit onderzoek heeft gefrustreerd.
Naar het oordeel van de Raad dient de handelwijze van appellante
gekwalificeerd te worden als een gedraging van de tweede categorie als
bedoeld in artikel 3 van het Maatregelenbesluit, namelijk: het niet, dan
wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel aan een onderzoek
naar de geschiktheid voor scholing en opleiding. Met hetgeen hiervoor is
overwogen is tevens gegeven dat het College de handelwijze van
appellante ten onrechte heeft gekwalificeerd als een gedraging van de
derde categorie als bedoeld in artikel 3 van het Maatregelenbesluit,
namelijk: een gedraging die de inschakeling in de arbeid belemmert.
Gelet op vorenstaande zal de Raad - met vernietiging van de aangevallen
uitspraak en gegrondverklaring van het beroep - het besluit van 4
februari 2005, voorzover dit ziet op de verlaging van de bijstand over
maart 2004, vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van
de Algemene wet bestuursrecht. De Raad ziet aanleiding de rechtsgevolgen
van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 4 februari 2005 in
stand te laten en overweegt daartoe als volgt.
Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Maatregelenbesluit
bepaalt dat bij een gedraging van de tweede categorie de weigering van
de bijstand bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw wordt
vastgesteld op tien procent van de bijstand gedurende een maand. Daarmee
is de opgelegde maatregel op zichzelf bezien in overeenstemming. Niet is
gebleken dat de omstandigheden van appellante of de mate van
verwijtbaarheid het College aanleiding hadden moeten geven de opgelegde
maatregel met toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Abw op een
lager bedrag vast te stellen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd
ziet de Raad ook geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende
redenen als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Abw, in welk geval
het College van het opleggen van een maatregel kan afzien.
De maatregel over april 2004
Uit de gedingstukken blijkt dat appellante tijdens een gesprek met een
medewerker van de sociale dienst op 4 maart 2004 op de vraag of zij
inmiddels een andere houding had aangenomen ten aanzien van het traject
bij het reďntegratiebedrijf heeft geantwoord dat zij beslist niet aan
het werk wilde en dat zij met rust gelaten wilde worden. Appellante
heeft daarmee volhard in haar weigering mee te werken aan het opstellen
van een trajectplan. De Raad ziet in de gedingstukken geen
aanknopingspunten op grond waarvan staande kan worden gehouden dat ter
zake elke vorm van verwijtbaarheid bij appellante ontbreekt. Ook uit de
reeds genoemde medische rapportage van psychiater Van Meer van 16 mei
2006 blijkt niet dat appellante op 4 maart 2004 op medische gronden niet
in staat was medewerking te verlenen aan het opstellen van een
trajectplan.
Naar het oordeel van de Raad heeft het College de handelwijze van
appellante terecht gekwalificeerd als een gedraging van de tweede
categorie als vermeld in artikel 3 van het Maatregelenbesluit, te weten:
het niet, dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel aan een
onderzoek naar de geschiktheid voor scholing en opleiding. De maatregel
is voorts in overeenstemming met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder
b, van het Maatregelenbesluit. De Raad ziet geen grond om aan te nemen
dat de omstandigheden van appellante of de mate van verwijtbaarheid het
College aanleiding hadden moeten geven de opgelegde maatregel met
toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Abw op een lager bedrag
vast te stellen. De Raad merkt in dit verband op dat appellante, gelet
op de omstandigheid dat sprake is van recidive als bedoeld in artikel 5,
tweede lid, van het Maatregelenbesluit, met de opgelegde maatregel zeker
niet te kort is gedaan. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de
Raad ook geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen
als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Abw, zodat het College
niet bevoegd was van het opleggen van een maatregel af te zien.
Proceskosten
De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten
van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op
€ 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Met betrekking
tot de vordering van de kosten van het door psychiater Van Meer
uitgebrachte rapport ad € 500,-- is de Raad van oordeel dat deze
vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt. De Raad neemt daarbij
in aanmerking dat de vraagstelling in het rapport van psychiater Van
Meer niet is toegesneden op het punt van geschil.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 4 februari 2005, voorzover dit ziet op de
verlaging van de bijstand over maart 2004;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat
besluit in stand blijven;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 966,--, te betalen door de gemeente Rotterdam aan de griffier
van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellante het in beroep en in
hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en C.
van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 11 juli 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.E. Broekman.
|
|