|
Uitspraak
99/6315
NABW en 99/6316 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[A.] en [B.], wonende te [C.], appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellanten heeft mr. R.H.A. Julicher, advocaat te Venray, op bij
een aanvullend
beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door
de
Arrondissementsrechtbank te Roermond op 15 november 1999 tussen partijen
gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van 30 januari 2001, waar voor
appellanten is
verschenen mr. B.T. Lamers, advocaat te Venray, terwijl voor gedaagde is
verschenen
mr. M.H.L. Bovee, werkzaam bij de gemeente Venlo.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellanten als eisers zijn
aangeduid, en gedaagde
als verweerder - ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
"Aan eisers is vanaf 1 oktober 1984 bijstand toegekend en
uitbetaald, op grond van de
destijds geldende Algemene Bijstandswet (ABW) en de daarop gebaseerde
Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww). Die uitkering is met
ingang van
18 oktober 1993 beëindigd in verband met verhuizing (buiten verweerders
gemeente)
en met ingang van 18 maart 1994 weer toegekend. Ingaande 1 november 1996
is de
Rww-uitkering beëindigd in verband met werkaanvaarding door eiser.
Op 17 april 1997 rapporteert sociaal rechercheur R.W.M.M. Hendrickx
omtrent een
onderzoek naar aanleiding van een meldingsformulier sociale
zekerheidsfraude van de
officier van justitie te Roermond. Als zijn voorlopig resultaat van
onderzoek meldt
genoemde sociaal rechercheur dat bij huiszoeking in de woning van
eiseres - en haar
echtgenoot - vijf eigendomsaktes van paarden, een registratiebewijs,
aankoopnota's, en
een garantiekaart van een caravan in beslag zijn genomen. Voorts
vermeldt hij dat
betrokkenen een weiland hadden gepacht en daaromheen een hekwerk hadden
laten
plaatsen; dat bij controle bij de Rijksdienst voor het wegverkeer te
Veendam is
gebleken dat betrokkenen vanaf 1992 ongeveer 82 auto's hadden
verhandeld; en dat
tegen eiseres en haar echtgenoot een proces-verbaal is opgemaakt ter
zake van handel
in verdovende middelen gedurende de jaren 1994 tot en met 1996. Op 25
juni 1997
wordt het definitieve rechercherapport opgesteld, waarbij de bevindingen
uit het
voorlopige rapport zijn bevestigd. Op basis van dat rapport is van
eiseres bij besluit
van 26 juni 1997 over de periode van 1 januari 1992 tot en met 31
oktober 1996 een
bedrag van f 76.863,72 aan ten onrechte verstrekte uitkering
teruggevorderd, welk
bedrag door de kantonrechter op 4 maart 1998 is vastgesteld. Op 28 april
1998
rapporteert de sociaal rechercheur aanvullend omtrent het sedert 1
januari 1992
aanwezige vermogen. Daarbij wordt gesteld dat eisers reeds vanaf 1 april
1992 geen
recht meer hadden op bijstand in verband met overschrijding van de
vermogensgrens,
handel en het niet verstrekken van de vereiste duidelijkheid
daaromtrent.
Op basis van dat rapport heeft verweerder bij besluit van 17 augustus
1998 aan eisers
meegedeeld dat met toepassing van het bepaalde in artikel 69, derde lid,
van de sedert
1 januari 1996 geldende Algemene bijstandswet (Abw) het recht op
uitkering van
eisers met terugwerkende kracht wordt herzien in die zin dat vanaf 1
april 1992 het
recht op bijstand wordt ingetrokken. Daarbij stelt verweerder zich op
het standpunt dat
eisers de inlichtingenplicht hebben geschonden nu zij van de
grootschalige handel in
auto's en het daarmee vergaarde vermogen geen melding hebben gemaakt.
Voorts gaat verweerder over tot terugvordering van ten onrechte
verstrekte
bijstandsuitkering over de periode van 18 maart 1994 tot 1 november 1996
voor
zover de verstrekte uitkering nog niet is teruggevorderd bij besluit van
26 juni 1997.
Het totaal (aanvullend op het besluit van 26 juni 1997) terug te
vorderen bedrag
becijfert verweerder op f 30.521,80."
Die feiten en omstandigheden worden door partijen niet betwist, en
vormen ook voor de
Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming behoudens wat betreft de
ingangsdatum 18
maart 1994, welke 25 maart 1994 is.
Bij besluit van 15 december 1998 heeft gedaagde de door appellanten
tegen het primaire
besluit van 17 augustus 1998 ingediende bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het namens appellanten tegen het besluit van 15
december 1998
ingestelde beroep, voorzover daarbij toepassing is gegeven aan de
artikelen 69, derde lid, en
81, eerste lid, van de Abw en voorzover het recht op uitkering is
herzien over een
doorlopende periode vanaf 1 april 1992 gegrond verklaard, onder meer
omdat zij van
oordeel was dat het bestreden besluit op dit onderdeel berust op een
onjuiste wettelijke
grondslag, en dit besluit in zoverre vernietigd. De rechtbank heeft
voorts op grond van een
inhoudelijke beoordeling van het vernietigde gedeelte van het besluit
aanleiding gevonden
de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten. Voor het overige heeft de
rechtbank het beroep
ongegrond verklaard. Ten slotte is een beslissing gegeven inzake de
vergoeding van het
griffierecht.
In hoger beroep hebben appellanten de beslissing van de rechtbank, de
rechtsgevolgen van
het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand gelaten en
het beroep voor het
overige ongegrond te verklaren, gemotiveerd bestreden.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
A. Het in stand laten van de rechtsgevolgen van het intrekkingsbesluit
voorzover vernietigd
en de ongegrondverklaring van het inleidend beroep tegen dat besluit
voor het overige.
De Raad deelt niet het uitgangspunt van de rechtbank dat het
herzieningsbesluit in casu
nodig was als grondslag voor het terugvorderingsbesluit. Onder meer in
zijn uitspraak van 9
januari 2001, nummers 98/7909 NABW en 98/8204 NABW, heeft de Raad reeds
kenbaar
gemaakt dat aan een besluit als het onderhavige, waarbij tot
terugvordering wordt
overgegaan van bijstand verstrekt over een periode welke ligt voor de
datum van
inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering
sociale zekerheid
voor de bijstandswetgeving geen intrekkings- of herzieningsbesluit
vooraf behoeft te gaan;
een besluit om over te gaan tot terugvordering is in het tot 1 juli 1997
vigerende stelsel
voldoende. In de gevallen dat het bijstandsverlenend orgaan toch
aanleiding heeft gezien om
met terugwerkende kracht tot herziening of intrekking over te gaan van
een besluit tot
toekenning van verleende bijstand over een voor 1 juli 1997 gelegen
periode en zo'n besluit
na bezwaar heeft gehandhaafd, neemt de Raad tot uitgangspunt dat een
dergelijk besluit in
rechte moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen welke
achteraf bezien
hadden moeten worden toegepast.
Het oordeel van de rechtbank dat appellanten een grove schending van de
inlichtingenplicht
valt te verwijten is, gezien naar het bepaalde in artikel 30, tweede
lid, van de ABW en
artikel 65, eerste lid, (tekst voor 1 juli 1997) van de Abw, op zich
genomen juist. De Raad
is voorts met de rechtbank van oordeel dat gedaagde gerechtigd was om
met terugwerkende
kracht het recht op bijstand van appellanten te wijzigen. Hierbij tekent
de Raad aan dat
gedaagde niet eerder in de tijd een daarop gericht besluit het licht
heeft doen zien en dat
van een gerechtvaardigd vertrouwen dat het recht op uitkering van
appellanten verder
onaangetast zou blijven geen sprake is. Dat recht op uitkering is immers
bij de
kantonrechter geen voorwerp van procedure geweest.
Een en ander is echter nog onvoldoende redengevend om op basis daarvan
al te beslissen
zoals de rechtbank heeft gedaan. Gegeven de schending van de
inlichtingenplicht is
intrekking van het recht op uitkering van appellanten met terugwerkende
kracht in dit geval
mogelijk voorzover gezegd kan worden dat door die schending niet was
vast te stellen of en
in hoeverre zij recht op bijstand jegens gedaagde hadden. Hiervan is
naar het oordeel van
de Raad, gezien de gedingstukken en de destijds geldende bepalingen,
sprake, behoudens
voorzover het intrekkingsbesluit betrekking heeft op de periode van 18
oktober 1993 tot 18
maart 1994, aangezien appellanten alstoen niet in de gemeente Venlo
woonachtig waren, en
op de dagen van 18 maart 1994 tot 25 maart 1994, over welke appellanten
geen bijstand
(ten laste van de gemeente Venlo) hebben ontvangen. In zoverre is de
beslissing van de
rechtbank onjuist.
B. Het in stand laten van de rechtsgevolgen van het
terugvorderingsbesluit voorzover
vernietigd en de ongegrondverklaring van het inleidend beroep tegen dat
besluit voor het overige.
Het oordeel van de rechtbank omtrent de bepalingen waaraan de
onderhavige
terugvordering behoort te worden getoetst, behoeft in zoverre
verduidelijking dat artikel 57
van de ABW het materiële toetsingskader vormt voor de periode tot 1
januari 1996, omdat -
naar in het onder A overwogene besloten ligt - appellanten achteraf
bezien geen personen
waren als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Invoeringswet
herinrichting Algemene
Bijstandswet, en artikel 81, eerste lid, (tekst tot 1 juli 1997) van de
Abw voor de resterende
periode. Op zich is aan de voorwaarden voor toepassing van deze
bepalingen voldaan, zij
het dat het oordeel van de rechtbank omtrent het aanvangstijdstip van de
periode
waarbinnen terugvordering eventueel nog mogelijk zou zijn, onjuist is,
reeds omdat
appellanten na hun terugkeer in de gemeente Venlo eerst met ingang van
25 maart 1994 ten
laste van deze gemeente weer bijstand zijn gaan ontvangen.
Het debat tussen partijen stelt de Raad voor de vraag of het
terugvorderingsbesluit strijdt
met het algemeen rechtsbeginsel der rechtszekerheid. In dit verband
overweegt de Raad het
volgende.
De gemeente Venlo heeft blijkens de stukken bij verzoekschrift een
procedure aanhangig
gemaakt bij de kantonrechter, strekkende tot terugvordering van
appellanten van een bedrag
van f 76.863,72 wegens ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de
periode van 1
januari 1992 tot en met 31 oktober 1996. Aan deze terugvordering ligt
een besluit van
gedaagde ten grondslag van 13 juni 1997, gecorrigeerd bij besluit van 26
juni 1997. De
kantonrechter te Venlo heeft bij beschikking van 4 maart 1998
vastgesteld dat de gemeente
haar vordering op appellanten bij haar beschikking van 26 juni 1997
voldoende inzichtelijk
heeft gemaakt, de vordering geheel toegewezen en bepaald dat appellanten
beiden
hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van bedoeld bedrag
wegens ten onrechte
verstrekte bijstand.
Het terugvorderingsbesluit behelst aanvullende terugvordering van kosten
van bijstand over
een gedeelte van de periode waarover, als voormeld, de kantonrechter bij
zijn kracht van
gewijsde verkregen beschikking heeft geoordeeld.
De Raad acht het niet onmogelijk dat een bestuursorgaan na de
inwerkingtreding van de
Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid voor de
bijstandswetgeving (1 juli 1997), een besluit kan nemen dat strekt tot
intrekking van een
besluit tot toekenning van bijstand en tot (aanvullende) terugvordering
van kosten over een
tijdvak, waarover ook reeds de kantonrechter bij een in kracht van
gewijsde gegane
terugvorderingsbeschikking heeft geoordeeld. Dit is echter alleen - met
het oog op het
rechtszekerheidsbeginsel - het geval indien in concreto sprake is van
nieuwe feiten of
omstandigheden die relevant zijn voor de herbeoordeling.
Van dergelijke nova is in casu evenwel geen sprake. Dienaangaande stelt
de Raad met
appellanten vast dat het door gedaagde aan zijn onderhavige
besluitvorming ten grondslag
gelegde rapport van de sociale recherche van 28 april 1998 slechts een
nadere analyse en
interpretatie inhoudt van feiten die op grond van het door de sociale
recherche op 25 juni
1997 uitgebrachte rapport reeds bekend waren.
Het voorgaande brengt de Raad tot de slotsom dat de in de aangevallen
uitspraak
opgenomen gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit onjuist
is en verder had
moeten reiken dan de rechtbank heeft gedaan. Om die reden zal de Raad de
aangevallen
uitspraak niet in stand laten, behoudens voorzover daarbij over de
vergoeding van het
griffierecht in beroep is beslist.
Doende hetgeen de rechtbank overigens had behoren te doen, zal de Raad
het beroep tegen
de door gedaagde gehandhaafde besluiten tot intrekking en terugvordering
gegrond
verklaren, die besluiten vernietigen, omdat het intrekkingsbesluit ten
onrechte op het thans
geldende artikel 69, derde lid, van de Abw is gebaseerd en het
terugvorderingsbesluit strijdt
met het rechtszekerheidsbeginsel. Voorts zal de Raad toepassing geven
aan het bepaalde in
de artikelen 8:72, derde en vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), op de
wijze als in rubriek III vermeld.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde met toepassing van
artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden
begroot op
f 1.420,--- wegens in beroep en op f 1.420,-- wegens in hoger beroep
verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarbij is
beslist over de
vergoeding van het griffierecht in beroep;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde intrekkingsbesluit in
stand worden
gelaten, behoudens voorzover de intrekking van het recht op bijstand
ziet op de periode van
18 oktober 1993 tot 25 maart 1994;
Vernietigt het primaire besluit van 17 augustus 1998 in zoverre het
handelt over de
terugvordering van bijstand;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten in beroep en in
hoger beroep,
totaal tot een bedrag van f 2.840,-- ;
Gelast de gemeente Venlo aan appellanten het gestorte recht van f 160,--
in hoger beroep te
vergoeden.
Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. G.A.J. van den
Hurk en
mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van
B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
13 maart 2001.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|