|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/6876 NABW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
’s-Gravenhage (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 oktober 2005,
04/3782 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).
Datum uitspraak: 26 september 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2006.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter,
werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. Betrokkene is verschenen, met
bijstand van mr. F.P. Holthuis, advocaat te ’s-Gravenhage.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Naar aanleiding van een aanvraag van betrokkene van 14 mei 2003 heeft
appellant bij besluit van 11 september 2003, voor zover van belang, aan
betrokkene met ingang van de aanvraagdatum een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een
alleenstaande. Bij besluit van 5 juli 2004, voor zover van belang, heeft
appellant het bezwaar tegen de toegepaste alleenstaandennorm ongegrond
verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank
- met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - het beroep tegen
het besluit van 5 juli 2004, voor zover dat gericht is tegen de
weigering van appellant om de uitkering van betrokkene te berekenen naar
de norm voor een alleenstaande ouder, gegrond verklaard, dit besluit in
zoverre vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar
te nemen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant ten
onrechte geconcludeerd heeft dat betrokkene niet kan worden aangemerkt
als een alleenstaande ouder in de zin van de Abw.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
Met verwijzing naar zijn uitspraak van 19 december 2005 (LJN AU8989)
stelt de Raad, gelet op artikel 5 van de Invoeringswet Wet werk en
bijstand, eerst vast dat appellant terecht met toepassing van de Abw
heeft beslist op de bezwaren van betrokkene tegen het besluit van 11
september 2003.
Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of
betrokkene ten tijde in geding moet worden aangemerkt als alleenstaande
ouder.
Ingevolge artikel 4, aanhef en onder b, van de Abw, voor zover van
belang, wordt onder alleenstaande ouder verstaan de ongehuwde die de
volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen.
Ingevolge artikel 4, aanhef en onder e, van de Abw wordt onder ten laste
komend kind verstaan het kind jonger dan 18 jaar voor wie de
alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.
Appellant betwist dat betrokkene de volledig zorg had voor zijn kind
[kind van betrokkene] (hierna: [kind van betrokkene]), geboren op 18
april 1996, aangezien niet kan worden vastgesteld dat [kind van
betrokkene] ook feitelijk verbleef op het adres van betrokkene.
Onder verwijzing naar de artikelsgewijze memorie van toelichting bij
artikel 4 van de Abw (Kamerstukken II 1991-1992, nr. 22 545, nr. 3, p.
108) is de Raad met de rechtbank, en anders dan appellant, van oordeel
dat de feitelijke verblijfplaats van het kind niet (meer) van belang is
voor de vraag of sprake is van volledige zorg in de zin van artikel 4,
aanhef en onder b, van de Abw. De Raad leidt uit de tekst en de
toelichting op dit artikel af dat voor de vraag of een alleenstaande de
volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind bepalend is of
hij feitelijk optreedt als hoofd van een eenoudergezin.
Betrokkene stelt dat hij zijn zoon vanaf de leeftijd van 3 maanden
verzorgt. Nu onweersproken is dat de moeder van [kind van betrokkene]
ten tijde in geding in Suriname woonachtig was, en niet gesteld noch
gebleken is dat anderen dan betrokkene de (volledige) zorg hadden voor
[kind van betrokkene], kan de Raad tot geen andere conclusie komen dan
dat betrokkene de volledige zorg had voor [kind van betrokkene]. Voorts
is er geen enkele aanwijzing dat [kind van betrokkene] ten tijde in
geding buiten Nederland woonde.
Verder staat vast dat betrokkene over het tweede kwartaal 2003
kinderbijslag ingevolge de Algemene kinderbijslagwet heeft ontvangen ten
behoeve van [kind van betrokkene]. Hieruit volgt dat [kind van
betrokkene] als een ten laste komend kind van betrokkene moet worden
aangemerkt.
Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat betrokkene
per 14 mei 2003 moet worden aangemerkt als een alleenstaande ouder in de
zin van de Abw.
De rechtbank heeft derhalve terecht het beroep tegen de toegepaste
bijstandsnorm gegrond verklaard en het besluit van 5 juli 2004 in
zoverre vernietigd. De aangevallen uitspraak dient derhalve, voor zover
aangevochten, te worden bevestigd. De Raad zal bepalen dat appellant met
inachtneming van zijn uitspraak opnieuw op het bezwaar van betrokkene
beslist.
De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten
van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in hoger beroep
voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag
van € 322,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage;
Bepaalt dat van de gemeente ’s-Gravenhage een griffierecht van €
422-- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J.
van der Ham en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 26 september 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.C. Visser.
|
|