|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/6608
NABW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 september 2005,
04/3520 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer
(hierna: College).
Datum uitspraak: 17 oktober 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft drs. F.W. King hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2006.
Appellante is verschenen, bijgestaan door drs. King. Het College heeft
zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Bij brief van 28 april 1998 heeft appellante de woningbouwvereniging
[naam wooningbouwvereniging] te [vestigingsplaats] medegedeeld dat zij
met ingang 2 juni 1998 met haar vriend [M. H.] ([H.]) gaat samenwonen op
haar adres aan het [adres] te [woonplaats].
Met ingang van 25 april 2001 heeft het College [H.] bijstand op grond
van de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een
alleenstaande met een toeslag van 10%. Uit de aan deze toekenning ten
grondslag liggende ambtelijke rapportage van 27 juni 2001 blijkt dat het
College ervan uit is gegaan dat [H.] de woning deelt met appellante.
Naar aanleiding van het bij het College gerezen vermoeden dat [H.] met
appellante een gezamenlijke huishouding voert heeft de sociale recherche
een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [H.]
verstrekte uitkering. In dat kader is administratief onderzoek gedaan,
zijn observaties uitgevoerd en zijn [H.], appellante en getuigen
gehoord. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport
van 11 december 2003.
Naar aanleiding van de bevindingen van dit onderzoek heeft het College
bij besluit van 19 september 2003 de bijstand van [H.] over de periode
van 25 april 2001 tot en met 31 augustus 2003 ingetrokken. Aan de
intrekking heeft het College ten grondslag gelegd het feit dat [H.] de
op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het
College geen melding te maken van het feit dat hij in deze periode met
appellante een gezamenlijke huishouding voerde.
Bij aan [H.] en appellante gericht besluit van 29 januari 2004 heeft het
College de kosten van bijstand over de periode van 25 april 2001 tot en
met 31 augustus 2003 tot een bedrag van € 23 297,33 van [H.]
teruggevorderd. Dit bedrag is daarbij mede van appellante teruggevorderd
waarbij is aangegeven dat beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de
terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.
Bij besluit van 6 juli 2004 heeft gedaagde het bezwaar van appellante
tegen het besluit van 29 januari 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellante tegen het besluit van 6 juli 2004 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Beoordeeld dient te worden of ten aanzien van appellante is voldaan aan
de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (Wwb). Daaruit volgt dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan
gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven
omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet
behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand
mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij
de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.
Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellante die
persoon is, is vereist dat appellante in de periode van 25 april 2001
tot en met 31 augustus 2003 met [H.] een gezamenlijke huishouding in de
zin van artikel 3, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) heeft
gevoerd. De Raad is van oordeel dat dit het geval is geweest.
Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald
geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord
aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot
het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven
van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van
belang.
Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te
dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de
kosten van de huishouding dan wel anderszins. Niet in geschil is dat
appellante en [H.] in de periode in geding hun hoofdverblijf hadden in
de woning aan het [adres] te [woonplaats].
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van wederzijdse
verzorging. Die kan blijken uit een bepaalde mate van financiële
verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend
delen van woonlasten en hiermede samenhangende vaste lasten. Indien van
een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate
sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om
aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een
afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en
omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend
zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in
een concreet geval is voldaan.
Niettegenstaande de stelling van appellante dat [H.] slechts een kamer
van haar huurde, is de Raad van oordeel dat er voor het College
voldoende grond was om aan te nemen dat de relatie tussen appellante en
[H.] die van een louter zakelijke te boven ging en dat ten tijde in
geding aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. De Raad kent
daarbij betekenis toe aan de volgende omstandigheden, in samenhang
bezien.
Op 30 oktober 2003 heeft [H.] tegenover de sociale recherche verklaard
dat hij in 1998 bij appellante is gaan wonen omdat hij vanwege zijn
rugklachten eigenlijk niet alleen kon wonen. Appellante ging hem helpen
en verzorgen. [H.] heeft tijdens een in het kader van een
bezwaarschriftprocedure over schuldaflossing op 26 oktober 1999 gehouden
hoorzitting verklaard dat zijn relatie met appellante is beëindigd,
maar dat hij nog wel woonachtig is op het adres [adres] te [woonplaats].
In het kader van een heronderzoek heeft op 2 november 2002 een
huisbezoek plaatsgevonden op het woonadres van [H.] en appellante.
Tijdens dit huisbezoek heeft [H.] verklaard dat appellante de
boodschappen doet en voor hen kookt. De kosten daarvan worden gedeeld
evenals de overige kosten van de huishouding. Tevens is gebleken dat de
inboedel van de woning door [H.] is verzekerd.
Nu [H.] vanaf 1999 in de verschillende contacten met de sociale dienst
van de gemeente Zoetermeer heeft volgehouden dat sprake was van
kamerhuur en hij van de gemeenschappelijk huishouding met appellante
geen mededeling aan het College heeft gedaan, heeft hij de op hem
rustende inlichtingenverplichting geschonden.
Het College was dan ook bevoegd het bedrag van de ten onrechte aan [H.]
betaalde bijstand mede van appellante terug te vorderen. In de grief dat
appellante niet heeft geprofiteerd van de aan [H.] verstrekte
bijstandsuitkering ziet ook de Raad, wat hier verder ook van zij, geen
grond voor het oordeel dat het College na afweging van de daarbij
rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid tot volledige
terugvordering heeft kunnen besluiten.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van
Viegen en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 oktober
2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) R.C. Visser.
|
|