|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/6404
NABW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2005,
04/4226 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam
(hierna: College).
Datum uitspraak: 24 oktober 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam,
hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 26 september 2006,
waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Op 19 september 2003 heeft appellant zich gemeld bij het Centrum voor
werk en inkomen met een verzoek om met ingang van medio november 2002
voor bijstand in aanmerking te worden gebracht.
Bij besluit van 8 januari 2004 heeft het College aan appellant met
ingang van 19 september 2003 een uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een gehuwde. Het verzoek
om bijstand met terugwerkende kracht tot medio november 2002 werd
daarbij onder verwijzing naar artikel 68a van de Abw afgewezen.
Bij besluit van 22 juli 2004 heeft het College het bezwaar tegen het
besluit van 8 januari 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 22 juli 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Naar vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van artikel 67 van
de Abw wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode
voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van
dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden
dat rechtvaardigen.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen, zie onder meer de uitspraak van 8
maart 2004, LJN AT0209, ziet hij na de inwerkingtreding per 1 januari
2002 van artikel 68a van de Abw geen grond daarover wezenlijk anders te
oordelen, zij het dat voor aanvraagdatum tevens meldingsdatum dient te
worden gelezen. Ook in het geval sprake is van een geregistreerde
meldingsdatum kan de gevraagde bijstand met ingang van een datum
voorafgaand aan die meldingsdatum worden toegekend, indien bijzondere
omstandigheden dat rechtvaardigen.
De Raad is van oordeel dat van zodanige omstandigheden niet is gebleken.
De zich onder de gedingstukken bevindende medische gegevens over de
psychische gesteldheid van appellant bieden onvoldoende grondslag voor
de conclusie dat appellant op psychische gronden verhinderd zou zijn
geweest om eerder een aanvraag in te dienen. Zo er al belemmeringen
waren voor appellant voor het indienen van een aanvraag, zou hij
bovendien een derde hebben kunnen inschakelen om namens hem een aanvraag
in te dienen. Dit geldt temeer nu blijkens de stukken namens appellant
tegen een in het kader van de uitvoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering genomen besluit van 13 november 2002
bezwaar is gemaakt. Nu ook overigens niet van bijzondere omstandigheden
in bovenbedoelde zin is gebleken, heeft het College de ingangsdatum van
de bijstandsverlening terecht op 19 september 2003 gesteld.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 24 oktober 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|