|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/5869
NABW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2005,
04/1270 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam
(hierna: College).
Datum uitspraak: 21 november 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr.drs. E.A.A. Charry, advocaat te Amsterdam,
hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2006.
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.S. Vlieger, kantoorgenoot van mr. Charry. Het College heeft zich
laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Mulder, werkzaam bij de gemeente
Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante ontving vanaf 1 juni 1996 een uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet (hierna: Abw).
Naar aanleiding van een melding dat appellante in haar woning aan de
[adres 1] een gezamenlijke huishouding voert met M.S. [S.] (hierna:
[S.]), heeft de Afdeling Controle en Opsporing van de Sociale dienst
Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan
appellante verleende bijstand. In dat kader is op 20 oktober 2003 bij
appellante een huisbezoek afgelegd, waarbij appellante en [S.] zijn
gehoord. Tevens zijn op die datum buurtbewoners van appellante gehoord.
De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10
november 2003.
Genoemd rapport is voor het College aanleiding geweest om bij besluit
van 28 oktober 2003, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 maart
2004, de bijstand van appellante vanaf 21 oktober 2003 te beëindigen
(lees: in te trekken) op de grond dat appellante in haar woning een
gezamenlijke huishouding voert met [S.]. Door daarvan bij het College
geen melding te maken is appellante volgens het College tekortgeschoten
in de nakoming van de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op
haar rustende inlichtingenverplichting waardoor het recht op bijstand
niet is vast te stellen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling
omtrent het griffierecht - het beroep tegen het besluit van 9 maart 2004
gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, en bepaald dat de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De
rechtbank heeft onderschreven dat sprake is van een gezamenlijke
huishouding en geoordeeld dat het College hieraan het gevolg had moeten
verbinden dat appellante niet als een zelfstandig subject van bijstand
kan worden beschouwd, zodat zij geen recht heeft op bijstand naar de
norm voor een alleenstaande ouder.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit in stand blijven.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt vast dat de in het onderhavige geval aan appellante
verleende bijstand bij primair besluit van 28 oktober 2003 is
ingetrokken, dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een
bepaalde periode en dat het College deze intrekking per 21 oktober 2003
bij het besluit op bezwaar van 9 maart 2004 onverkort heeft gehandhaafd.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de
bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met
ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het
primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te
worden de periode van 21 oktober 2003 tot en met 28 oktober 2003.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw wordt als
gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander
een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant
in de eerste graad. Op grond van het derde lid van dat artikel is sprake
van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf
in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar
door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de
huishouding dan wel anderszins.
De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden
beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
Appellante en [S.] stonden ten tijde hier van belang ingeschreven op
verschillende woonadressen. Volgens vaste rechtspraak behoeft het
aanhouden van afzonderlijke adressen niet aan het hebben van
hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal
redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke
situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter
beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een
andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite
van samenwonen moet worden gesproken.
Het College heeft zich in hoofdzaak gebaseerd op het gegeven dat [S.]
bij het bezoek aan de woning van appellante onder verdachte
omstandigheden - schuilend in een hoogslaper in één van de
kinderslaapkamers - is aangetroffen. Bij het huisbezoek is ook - onder
meer in de slaapkamer van appellante - herenkleding aangetroffen. Voorts
heeft het College belang gehecht aan de verklaring van de bewoonster van
het adres aan de Isabella [adres 2] dat in de woning van appellante een
moeder, een vader en vijf kinderen wonen.
De Raad is van oordeel dat deze gegevens, zonder ondersteunend bewijs,
onvoldoende basis bieden om aan te nemen dat appellante en [S.] ten
tijde in geding gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van
appellante.
De Raad overweegt daartoe dat [S.] heeft verklaard dat hij daadwerkelijk
woont op het adres waarop hij staat ingeschreven en slechts incidenteel
op het adres van appellante verblijft. Niet is onderzocht hoe de
woonsituatie van [S.] was op het adres waar hij ingeschreven staat.
Voorts is niet gebleken aan wie de in de woning van appellante
aangetroffen herenkleding toebehoort. Appellante heeft verklaard dat
deze kleding van haar vader, voor wie ze wel eens de was doet, en haar
zoon is. Aan de verklaring van de bewoonster van het adres aan de [adres
2] kan geen betekenis worden toegekend aangezien hieruit onvoldoende
blijkt dat deze verklaring - mede - betrekking heeft op [S.]. Bovendien
verhoudt deze verklaring zich niet met de door de bewoonster van het
adres aan de [adres 2] afgelegde verklaring dat op het adres van
appellante alleen een vrouw met kinderen woont.
Gelet op het voorgaande komt Raad tot de conclusie dat de rechtbank ten
onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 maart 2004
in stand heeft gelaten. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak
vernietigen voor zover aangevochten. De Raad ziet voorts aanleiding om
met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 28 oktober 2003 te herroepen nu dit besluit eveneens is gebaseerd op de
onhoudbaar gebleken grond dat appellant in haar woning en met [S.] een
gezamenlijke huishouding voert.
De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de
proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in
beroep en eveneens op € 644,-- in hoger beroep, voor verleende
rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Herroept het besluit van 28 oktober 2003;
Veroordeelt het College in de kosten van appellante tot een bedrag van
€ 1288,--, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van
de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door appellante in hoger beroep
betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en A.B.J.
van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar
op 21 november 2006.
(get.) Th.C. van Sloten
(get.) L. Jörg.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.
|
|