|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/6847
NABW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2005,
04/2766 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam
(hierna: College).
Datum uitspraak: 9 januari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2006.
Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen
door mr. R. Lo Fo Sang, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant stond vanaf augustus 1995 bij het toenmalige Arbeidsbureau
ingeschreven als werkzoekende. In september 1997 heeft appellant
gereageerd op een advertentie voor het omscholingstraject
“Werkleerproject exportmedewerker”. Hij is daarvoor niet
geselecteerd waartegen hij bezwaar heeft gemaakt. Bij uitspraak van 28
december 2001 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB)
geoordeeld dat de Regionale Directie van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie Zuidelijk Noord-Holland (RDA) niet op
deugdelijke gronden heeft besloten appellant niet te plaatsen voor het
hiervoor genoemde traject. Bij die uitspraak is de RDA, thans Centrum
voor werk en inkomen (CWI), opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te
nemen.
Appellant ontving ten tijde in dit geding van belang een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Bij brief van 30 januari 2003 heeft het College appellant mededeling gedaan van de aan
de bijstand verbonden verplichtingen, waaronder begrepen verplichtingen
gericht op inschakeling in de arbeid. In de periode daarna is met
appellant meermalen gesproken over zijn mogelijkheden tot inschakeling
in de arbeid en over het volgen van een reïntegratietraject. Op 2 juli
2003 heeft appellant een trajectplan - met als doelstelling dat hij met
begeleiding en andere voorzieningen in staat is passend werk te vinden -
ondertekend. In het plan is opgenomen dat hij zijn volledige medewerking
aan het plan moet verlenen en dat het zonder gegronde redenen niet of
onvoldoende meewerken gevolgen heeft voor zijn recht op bijstand.
Appellant is vervolgens aangemeld bij KLIQ-Reïntegratie Amsterdam
(hierna: Kliq). Appellant is door Kliq uitgenodigd voor een gesprek op
30 juli 2003, waarvoor appellant zich schriftelijk heeft afgemeld, en
voor een gesprek op 21 augustus 2003, waarvoor appellant zich opnieuw
schriftelijk heeft afgemeld. Appellant heeft daarbij telkens verwezen
naar de uitspraak van het CBB van 28 december 2001 en gesteld dat hij
voor het in die uitspraak aan de orde zijnde project heeft gekozen,
waarvoor hij nog altijd beschikbaar is.
Bij besluit van 8 december 2003 heeft het College aan appellant de
maatregel opgelegd van verlaging van de bijstand met tien procent
gedurende een maand met ingang van 1 januari 2004 op de grond dat
appellant niet heeft meegewerkt aan een onderzoek tot inschakeling in de
arbeid.
Bij besluit van 11 mei 2004 heeft het College het tegen het besluit van
8 december 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een bepaling
omtrent het griffierecht, het beroep tegen het besluit van 11 mei 2004
gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens een onjuiste wettelijke
grondslag, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit
in stand blijven.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd. Hij stelt zich - samengevat - op het standpunt dat de rechtbank,
door een verkeerde lezing van de feiten en een onjuiste hantering van
het wettelijk kader, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit ten
onrechte in stand heeft gelaten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij de Raad voorop stelt
dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat, hoewel kort na de
indiening van het bezwaar de Wet werk en bijstand in werking is
getreden, op het bezwaarschrift nog met toepassing van de Abw diende te
worden beslist.
Artikel 14, eerste lid, van de Abw bepaalt, voor zover hier van belang,
dat indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend
besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, dan
wel in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien
onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid
in dienstbetrekking dan wel een op grond van hoofdstuk VIII aan de
bijstand verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen,
burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk
weigeren. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een maatregel
als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de
gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden
verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van
een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt. In het vijfde lid is bepaald dat bij algemene
maatregel van bestuur met betrekking tot het eerste en het tweede lid
nadere regels kunnen worden gesteld. De desbetreffende algemene
maatregel van bestuur is het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz
(hierna: Maatregelenbesluit).
Ingevolge het Maatregelenbesluit worden de gedragingen bedoeld in
artikel 14, eerste lid, van de Abw onderscheiden in vier categorieën.
Tot de tweede categorie behoren ingevolge artikel 3, aanhef en onder 2,
sub c, van het Maatregelenbesluit onder meer de volgende gedragingen:
het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel
aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding.
Vaststaat dat appellant op 2 juli 2003 een trajectplan gericht op
inschakeling in de arbeid heeft ondertekend en dat hij tweemaal door
Kliq, welke instelling vanwege het College was ingeschakeld om appellant
bij het traject te begeleiden, is uitgenodigd voor een gesprek over zijn
mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid.
Evenals het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat
appellant, door geen gevolg te geven aan deze uitnodigingen, onvoldoende
heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot
inschakeling in de arbeid of naar geschiktheid voor scholing en
opleiding. Appellant heeft zowel in bezwaar als in beroep en in hoger
beroep aangegeven dat hij vast wil houden aan de uitkomst van de
eerdergenoemde procedure bij het CBB en dat zijn voorkeur naar het
desbetreffende project uitgaat. In aanmerking genomen dat voor appellant
ten tijde van belang de arbeidsverplichtingen ingevolge artikel 113,
eerste lid, van de Abw golden en mede gelet op het grote tijdsverloop
sedert de datum waarop het omscholingsproject door de RDA werd
aangeboden, acht de Raad dat - evenals de rechtbank - geen deugdelijke
reden om aan de uitnodigingen van Kliq geen gevolg te geven. Bovendien
is appellant daarmee in strijd gekomen met het door hem ondertekende
trajectplan. Hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent de kwaliteit en
de werkwijze van Kliq doet aan het voorgaande niet af. In dat verband
merkt de Raad op dat het niet aan appellant is om vooraf eisen te
stellen aan de wijze waarop Kliq de begeleiding zou gaan verrichten. De
houding van appellant heeft tot gevolg gehad dat Kliq niet in staat is
geweest op basis van het trajectplan (verder) onderzoek te verrichten
naar de mogelijkheden van appellant tot inschakeling in de arbeid, tot
welk onderzoek mede kan behoren een onderzoek naar geschiktheid voor
scholing en opleiding. Bij dat onderzoek had ook de door appellant
kennelijk gewenste computeropleiding aan de orde kunnen komen.
De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond om aan te
nemen dat de hiervoor bedoelde gedragingen hem niet kunnen worden
verweten. Dit betekent dat het College op grond van artikel 14, eerste
lid, van de Abw gehouden was om ten aanzien van deze gedragingen een
maatregel op te leggen. Deze gedragingen moeten worden gekwalificeerd
als vallende onder de tweede categorie, zoals omschreven in artikel 3,
aanhef en onder 2, onderdeel c, van het Maatregelenbesluit.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het
Maatregelenbesluit behoort bij een gedraging van de tweede categorie de
maatregel van weigering van de bijstand van tien procent gedurende een
maand. Daarmee is de door het College opgelegde maatregel in
overeenstemming. De Raad ziet geen redenen om aan te nemen dat de
omstandigheden van appellant en/of de mate van verwijtbaarheid het
College aanleiding hadden moeten geven de maatregel met toepassing van
artikel 14, tweede lid, van de Abw te matigen. In hetgeen appellant
heeft aangevoerd ziet de Raad ook geen dringende redenen als bedoeld in
artikel 14, vierde lid, van de Abw, zodat het College niet bevoegd was
van het opleggen van een maatregel af te zien.
Al hetgeen appellant verder heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een
ander oordeel. Met name ziet de Raad geen grond voor het standpunt van
appellant dat de rechtbank het bepaalde in artikel 8:69 van de Algemene
wet bestuursrecht heeft geschonden. Anders dan appellant meent, heeft de
rechtbank uitspraak gedaan op de grondslag van het beroepschrift van
appellant en op de grondslag van het besluit op bezwaar waartegen dat
beroepschrift zich richtte. De rechtbank is daarbij niet buiten de
omvang van het geding getreden.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het door
haar vernietigde besluit van 11 mei 2004 terecht in stand heeft gelaten.
Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak dient,
voor zover aangevochten, te worden bevestigd. Dat brengt tevens mee dat
er geen grond is voor de door appellant verzochte veroordeling van het
College tot schadevergoeding, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van
Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 9 januari 2007.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) P.N. Rijnsewijn.
|
|