|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/7124
NABW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 4 november 2005, 04/933
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).
Datum uitspraak: 30 januari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2006.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Jeurink, werkzaam
bij de gemeente Enschede. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Aan betrokkene is met ingang van 2 oktober 1997 een uitkering ingevolge
de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend, laatstelijk naar de norm voor
een alleenstaande ouder.
In het kader van een themaonderzoek naar adresfraude is de
rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand onderzocht. Naar
aanleiding van dat onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in
een rapport van 2 oktober 2003 en waarin wordt geconcludeerd dat
betrokkene een gezamenlijke huishouding voert met [M.] (hierna: [M.]),
heeft appellant bij besluit van 16 oktober 2003 (hierna: besluit 1) de
bijstand van betrokkene met ingang van 2 oktober 2003 beëindigd (lees:
ingetrokken).
Bij besluit van 17 november 2003 (hierna: besluit 2) is betrokkene een
boete van € 45,-- opgelegd op de grond dat zij de op haar ingevolge
artikel 65 van de Abw rustende inlichtingenverplichting niet is
nagekomen door geen mededeling te doen van de gezamenlijke huishouding.
Op 20 oktober 2003 heeft betrokkene een aanvraag om bijstand met ingang
van 1 oktober 2003 ingediend. Bij besluit van 28 november 2003 (hierna: besluit 3) heeft appellant deze aanvraag onder
verwijzing naar besluit 1 afgewezen op de grond dat geen sprake is van
nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden.
Nadat betrokkene op 17 december 2003 opnieuw een aanvraag om bijstand
per die datum had ingediend, zijn er observaties verricht en is er een
buurtonderzoek ingesteld. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek
heeft appellant bij besluit van 1 maart 2004 (hierna: besluit 4) de
aanvraag afgewezen op de grond dat betrokkene een gezamenlijke
huishouding voert.
Bij besluit van 16 augustus 2004 heeft appellant de tegen de besluiten
1, 2, 3 en 4 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 16
augustus 2004 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd wegens strijd
met de wet. Naar het oordeel van de rechtbank is het gezamenlijk
hoofdverblijf voldoende aannemelijk gemaakt, doch is onvoldoende
gebleken dat betrokkene en [M.] zorg dragen voor elkaar door middel van
het leveren van een bijdrage in de kosten van huishouding dan wel
anderszins. Derhalve is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een
gezamenlijke huishouding als bedoeld in de Abw. Aangezien de besluiten
1, 2, 3 en 4 op dezelfde onhoudbaar gebleken grond berusten, heeft de
rechtbank zelf in de zaak voorzien en deze besluiten herroepen.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor
zover die ziet op de besluiten 1, 3 en 4. Hij heeft zich daarbij primair
op het standpunt gesteld dat voldaan is aan het vereiste van wederzijdse
zorg als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Abw, zodat sprake is
van een gezamenlijke huishouding. Voor het geval de Raad daarover anders
oordeelt heeft appellant - subsidiair - aangevoerd dat de rechtbank ten
onrechte de besluiten 1, 3 en 4 heeft herroepen. In dat verband stelt
appellant zich op het standpunt dat betrokkene het hoofdverblijf van [M.] op hetzelfde adres telkens heeft ontkend en dat zij hierdoor op
geen enkel moment het College heeft geïnformeerd over de omstandigheden
waaronder sprake was van dat hoofdverblijf. Betrokkene heeft hiermee de
op haar rustende inlichtingenverplichting op een dusdanige wijze
geschonden dat haar recht op bijstand niet valt vast te stellen.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Gelet op artikel 21, eerste lid, aanhef en onder van a, van de
Invoeringswet Wet werk en bijstand (hierna: IWwb) stelt de Raad eerst
vast dat appellant terecht met toepassing van de Abw heeft beslist op de
bezwaren van betrokkene tegen de besluiten 1 en 3. Onder verwijzing naar
zijn uitspraak van 19 december 2005 (LJN AU8989) stelt de Raad voorts
vast dat appellant, gelet op artikel 5 van de IWwb, terecht met
toepassing van de Abw heeft beslist op de bezwaren van betrokkene tegen
besluit 4.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw wordt als
gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander
een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant
in de eerste graad. Op grond van het derde lid van dat artikel is sprake
van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf
in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar
door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de
huishouding dan wel anderszins.
Ter zake van het eerste criterium van het hoofdverblijf overweegt de
Raad dat, nu de rechtbank in de aangevallen uitspraak het gezamenlijk
hoofdverblijf aannemelijk heeft geacht en betrokkene hiertegen geen
hoger beroep heeft ingesteld, de Raad bij de beoordeling van de vraag of
sprake is van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3,
derde lid, van de Abw uit zal gaan van de juistheid van dit door de
rechtbank gegeven oordeel.
Ter zake van het tweede criterium van de wederzijdse verzorging is de
Raad met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen
onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat hiervan
tussen betrokkene en [M.] ten tijde in geding sprake was. Weliswaar zijn
er aanwijzingen waaruit een vermoeden van wederzijdse verzorging kan
worden afgeleid, maar een zodanig vermoeden is naar het oordeel van de
Raad niet voldoende. De omstandigheid dat [M.] het zoontje van
betrokkene in geval van ziekte verzorgt en naar school brengt acht de
Raad in dat verband onvoldoende. De door appellant aangevoerde
omstandigheid dat betrokkene gebruik zou maken van de auto van [M.],
alsmede de verklaring van een buurvrouw dat betrokkene gezegd zou hebben
samen met [M.] in Duitsland boodschappen te doen, acht de Raad eveneens
ontoereikend nu dit niet door andere gegevens wordt ondersteund.
Het voorgaande betekent dat het besluit van 16 augustus 2004, voor zover
daarbij de besluiten 1, 3 en 4 zijn gehandhaafd, niet berust op een
deugdelijke motivering. Het besluit van 16 augustus 2004 is in zoverre
derhalve in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) genomen, zodat de rechtbank dit besluit in zoverre
terecht heeft vernietigd.
Ten aanzien van de vraag of de rechtbank vervolgens gebruik heeft kunnen
maken van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde
bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien door de besluiten 1, 3 en 4
te herroepen, overweegt de Raad het volgende.
In zijn aan appellant bekende uitspraak van 13 juli 2005 (LJN AU0494)
heeft de Raad onder meer het volgende overwogen:
"In zijn uitspraak van 28 juni 2005 (LJN AT8471) heeft de Raad, in
algemene zin, overwogen dat indien het betrokken bestuursorgaan tot de
conclusie komt dat wel sprake is van het hebben van hoofdverblijf in
dezelfde woning maar dat niet kan worden vastgesteld dat ook aan het
criterium van wederzijdse zorg is voldaan, het bestuursorgaan niet
zonder meer tot intrekking of beëindiging van het recht op bijstand mag
overgaan op de grond dat als gevolg van het niet mededelen van het
hoofdverblijf het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Daarmee
zou immers in dergelijke gevallen aan het tweede - wettelijke -
criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding feitelijk
de betekenis komen te ontvallen. Mede gelet op de uit artikel 3:2 van de
Algemene wet bestuursrecht voortvloeiende onderzoeksplicht dient het
bestuursorgaan de betrokkene in een dergelijk geval te confronteren met
de vaststelling van het hoofdverblijf en hem in de gelegenheid te
stellen (nader) te verklaren over de omstandigheden waaronder van dit
hoofdverblijf sprake is. Alleen indien de betrokkene dan geen of geen
toereikende inlichtingen verschaft, is het bestuursorgaan bevoegd over
te gaan tot intrekking of beëindiging op de grond dat als gevolg van de
schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld
of, en zo ja in welke omvang, recht op bijstand bestaat. Indien de
betrokkene wel toereikende inlichtingen verschaft, kan het
bestuursorgaan op grond daarvan (de omvang van) het recht op bijstand
nader vaststellen, zodat niet (meer) kan worden gezegd dat als gevolg
van de schending van de verplichting om mededeling te doen van het
hoofdverblijf het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
In het verlengde hiervan is de Raad van oordeel dat er in een geval als
het onderhavige, waarin het niet het bestuursorgaan maar de rechter is
die tot de conclusie komt dat geen sprake is van wederzijdse zorg, geen
aanleiding is de rechtsgevolgen van de te vernietigen intrekking of beëindiging
in stand te laten op de enkele grond dat de betrokkene geen mededeling
heeft gedaan van het gegeven dat een andere persoon hoofdverblijf heeft
in zijn woning.
De Raad is voorts van oordeel dat, indien het betrokken bestuursorgaan
zich tot en met het besluit op bezwaar op het standpunt blijft stellen
dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding, er in de regel
evenmin aanleiding is het bestuursorgaan in de gelegenheid te stellen
een nieuw besluit op bezwaar te nemen. In dergelijke geval zal de
rechter in beginsel zelf in de zaak dienen te voorzien en het primaire
besluit dienen te herroepen, omdat het op dezelfde, onhoudbaar gebleken,
grond berust als het besluit op bezwaar."
De Raad ziet in het onderhavige geval geen aanleiding anders te oordelen
dan in zijn hiervoor aangehaalde uitspraak is aangegeven. Appellant heeft
betrokkene middels zijn besluitvorming steeds doen weten van opvatting
te zijn dat betrokkene met [M.] een gezamenlijke huishouding voert.
Blijkens de stukken heeft appellant betrokkene evenwel geen enkele maal
in een gesprek expliciet geconfronteerd met zijn onderzoeksbevindingen
en de daaruit getrokken conclusie dat [M.] ten tijde van belang zijn
hoofdverblijf bij haar had, zodat betrokkene ook nimmer in de
gelegenheid is gesteld nader te verklaren over de omstandigheden
waaronder van dat hoofdverblijf sprake was.
Gelet op het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat de rechtbank
terecht de besluiten 1, 3 en 4 heeft herroepen. De aangevallen uitspraak
dient dan ook, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.
Ten overvloede overweegt de raad nog dat appellant vrij staat om,
uitgaande van het hoofdverblijf van [M.] bij betrokkene, te onderzoeken
en te beoordelen of en in hoeverre dat invloed heeft op de
bijstandsuitkering van betrokkene.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 422,-- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als
voorzitter en R.M. van Male en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing
is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in
het openbaar op 30 januari 2007.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) S. van Ommen.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding.
|
|