|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/1077
NABW en 05/5763 NABW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ΄s-Hertogenbosch van 17 januari
2005, 04/955 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven
(hierna: College).
Datum uitspraak: 28 maart 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven,
hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het College heeft een verweerschrift ingediend en een ter uitvoering van
de aangevallen uitspraak genomen besluit van 1 maart 2005 ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 14
maart 2006. Partijen zijn daar met schriftelijke kennisgeving niet
verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
1.2. Aan appellante is met ingang van 1 november 1996 op grond van de
Algemene bijstandswet (Abw) periodieke bijstand toegekend, laatstelijk
naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluiten van onder meer 18
november 1997, 21 januari 1998 en 11 maart 2002 is haar bijzondere
bijstand verleend, onder meer ten behoeve van de sanering van door eigen
toedoen ontstane schulden. In de besluiten van 18 november 1997, 21
januari 1998 en 11 maart 2002 is bepaald dat de kosten van de verleende
bijzondere bijstand worden teruggevorderd. Bij besluit van 13 juli 1998
is verleende periodieke bijstand over de periode van 1 januari 1997 tot
en met 3 maart 1997 herzien wegens inkomsten uit arbeid. De over die
periode gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van 470,82 zijn bij
dat besluit van appellante teruggevorderd. Tegen geen van deze besluiten
is een rechtsmiddel aangewend waardoor zij in rechte onaantastbaar zijn
geworden.
1.3. De unit Verhaal en Incasso van de Dienst Werk, Zorg en Inkomen van
de gemeente Eindhoven heeft in het najaar van 2003 onderzoek gedaan naar
de betalingscapaciteit van appellante. Daarbij is vastgesteld dat de
openstaande vorderingen 6.215,07 belopen en dat het inkomen van
appellante ruimte biedt om 242,67 per maand af te lossen.
Voorgesteld is om op basis van het beleid te volstaan met invordering
van een bedrag van 123,11 per maand.
1.4. Het College heeft appellante bij brief van 19 november 2003
meegedeeld dat vorderingen ten bedrage van 6.215,07 openstaan, dat
haar aflossingscapaciteit is vastgesteld op 123,11 per maand en dat
zij de vorderingen met ingang van 1 december 2003 dient te gaan aflossen.
1.5. Het College heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van
19 november 2003 in zijn besluit van 2 maart 2004 (hierna: besluit 1)
ongegrond verklaard.
1.6. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen
besluit 1 gedeeltelijk gegrond verklaard, dat besluit in zoverre
vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van
appellante te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tevens is het
College veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
1.7. Het College heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 1
maart 2005 (hierna: besluit 2) een nieuw besluit op het bezwaar van
appellante genomen. Het bezwaar tegen het feitelijk bestaan van de
vorderingen is niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaar tegen de hoogte
van het bedrag van de terugvordering is gegrond verklaard en het bezwaar
tegen het aflossingsbedrag is ongegrond verklaard. Het bedrag van de
terugvordering is nader bepaald op 5.955,66. Tevens is beslist om
voor rechtsbijstand in de bezwaarfase een vergoeding van 322,-- toe
te kennen.
2. Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep
ingesteld. Aangevoerd is dat de rechtbank haar beroep op verjaring ten
onrechte heeft verworpen. Appellante stelt zich, onder verwijzing naar
artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek (BW), op het standpunt dat de
verjaring op de data van de respectieve besluiten is gaan lopen en dat
het College sedertdien meer dan vijf jaar is blijven stilzitten. Het in
de besluiten tot verlening van bijstand onmiddellijk terugvorderbaar
stellen van de verleende bijstand is naar haar mening geen
stuitingshandeling als bedoeld in artikel 3:316, eerste lid, van het BW.
3. Het College stelt zich op het standpunt dat de verjaring wordt
gestuit door een schriftelijke en ondubbelzinnige mededeling dat tot
terugvordering wordt overgegaan.
De besluiten tot terugvordering in de besluiten tot toekenning van
bijstand laten geen twijfel bestaan over de bedoeling ervan.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt vast dat het College besluit 1 niet langer handhaaft
en dat besluit 2 daarvoor in de plaats is gesteld. Dit betekent dat het
(hoger) beroep van appellante, gelet op de artikelen 6:18, eerste lid,
6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb),
geacht wordt mede betrekking te hebben op besluit 2. Nu
aanknopingspunten voor een ander oordeel ontbreken, wordt het hoger
beroep tegen de aangevallen uitspraak, die slechts betrekking heeft op
het niet gehandhaafde besluit 1, wegens ontbrekend procesbelang
niet-ontvankelijk verklaard.
4.2. Dit betekent dat de beoordeling van de Raad uitsluitend betrekking
zal hebben op besluit 2.
4.3. De Raad stelt vast dat het beroep niet gericht is tegen de
terugvordering als zodanig, maar tegen de invordering van 123,11 per
maand met ingang van 1 december 2003. Het geschil beperkt zich tot de
vraag of verjaring eraan in de weg staat dat een besluit tot invordering
van de schulden wordt genomen.
4.4. Artikel 86, eerste lid, van de Abw bepaalt dat het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of
termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit, bij
gebreke van tijdige betaling, op de wijze als omschreven in artikel 87
van de Abw zal worden ten uitvoer gelegd.
4.5. Artikel 87, eerste lid, van de Abw bepaalt dat het besluit tot
terugvordering een executoriale titel oplevert in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.6. De Raad heeft reeds eerder uitgemaakt dat de omstandigheid dat in
een besluit tot terugvordering niet is beslist over de termijn of
termijnen waarbinnen moet worden betaald niet kan betekenen dat
daaromtrent geen rechtsgeldige besluitvorming meer kan plaatsvinden.
Daarbij is overwogen dat de artikelen 86 en volgende van de Abw geen
verplichting inhouden tot onmiddellijke invordering van het
teruggevorderde bedrag. Verwezen wordt naar de uitspraak van 23 maart
2004, 01/4767 NABW.
4.7. In de Abw is geen regeling opgenomen over de verjaring van het
recht op terugvordering van gemaakte kosten van bijstand. Blijkens de
memorie van toelichting bij de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid (Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248) is
het de bedoeling dat voor de regeling van de verjaring aansluiting wordt
gezocht bij de regeling in het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW; TK
1994-1995, 23 909, nr. 3, p. 29-31).
4.8. Artikel 3:307, eerste lid, van het BW bepaalt, voor zover hier van
belang, dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit
overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf
jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering
opeisbaar is geworden.
Artikel 3:309 van het BW bepaalt dat een rechtsvordering uit
onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren na de
aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het
bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend
geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan.
Artikel 3:316 van het BW bepaalt, voorzover hier van belang, dat de
verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van
een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de
zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt.
Artikel 3:317 van het BW bepaalt dat de verjaring van een
rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een
schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de
schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. De
verjaring van andere rechtsvorderingen wordt gestuit door een
schriftelijke aanmaning, indien deze binnen zes maanden wordt gevolgd
door een stuitingshandeling als in artikel 3:316 van het BW omschreven.
Artikel 3:318 van het BW bepaalt dat erkenning van het recht tot welks
bescherming een rechtsvordering dient, de verjaring stuit van de
rechtsvordering tegen hem die het recht erkent.
Artikel 3:319 van het BW bepaalt dat door stuiting van de verjaring van
een rechtsvordering een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen, die
gelijk is aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan vijf jaren.
4.9. Blijkens zijn besluit van 13 juli 1998 was het College in ieder
geval op die datum bekend met de onverschuldigde betaling van periodieke
bijstand en met de persoon van de ontvanger van die betaling. Deze
wetenschap heeft echter niet vσσr 14 juli 2003 tot het nemen van een
volledig terugvorderingsbesluit geleid, te weten een besluit waarin niet
alleen beslist is over de terugvordering maar ook over de invordering
door middel van het vaststellen van een termijn of termijnen waarbinnen
de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand moeten worden terugbetaald,
als bedoeld in artikel 86, eerste lid, van de Abw. Dit betekent dat het
recht om zulk een besluit te nemen op 14 juli 2003 verjaard was, tenzij
moet worden vastgesteld dat de terugvordering voor die datum is gestuit
op voet van de artikelen 3:316 en 3:317 van het BW. De Raad is van
oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van zulk een stuiting.
Het onvolledige terugvorderingsbesluit van 13 juli 1998 maakt immers
ondubbelzinnig duidelijk dat de gemaakte kosten van periodieke bijstand
van appellante worden teruggevorderd. Door deze stuiting is, gelet op
het bepaalde in artikel 3:319 van het BW, een nieuwe verjaringstermijn
van vijf jaren gaan lopen voor het nemen van een besluit waarin wordt
bepaald binnen welke termijn of termijnen hetgeen wordt teruggevorderd
moet worden terugbetaald. Aangezien echter deze termijn op 14 juli 2003
eveneens was verstreken was het recht op invordering van de op kosten
van periodieke bijstand betrekking hebbende terugvordering ten tijde van
het primaire besluit van 19 november 2003 verjaard.
4.10. De Raad is van oordeel dat de in de besluiten van 18 november
1997, 21 januari 1998 en 11 maart 2002 opgenomen bijstandsverlening
annex terugvordering voor het recht van verjaring op ιιn lijn moeten
worden gesteld met bijstandsverlening in de vorm van een terstond
opeisbare geldlening. Aansluiting zoekende bij het bepaalde in artikel
3:307, eerste lid, van het BW betekent dit dat het recht op invordering
van die schulden op respectievelijk 19 november 2002, 22 januari 2003 en
12 maart 2007 is verjaard, tenzij die vorderingen voordien zijn gestuit
of erkend.
4.11. De Raad stelt met betrekking tot het besluit van 18 november 1997
vast dat in het besluit van 21 januari 1998 is aangegeven dat de
vordering van f 3.534,-- ( 1.603,66) omstreeks maart 2001 zal worden
bezien. De Raad is van oordeel dat deze mededeling niet kan worden
aangemerkt als een stuitingshandeling, nu het College zich daarin niet
ondubbelzinnig het recht op betaling van de schuld voorbehoudt maar de
invordering ervan afhankelijk stelt van een nadere beoordeling. Uit de
gedingstukken kan voorts niet worden afgeleid dat appellante het recht
op terugvordering van het College erkent. De omstandigheid dat
appellante tegen het besluit van 18 november 1997 niet in rechte is
opgekomen, kan naar het oordeel van de Raad niet worden aangemerkt als
een uitdrukkelijke erkenning van het vorderingsrecht van het College. De
Raad komt, gelet hierop, tot de conclusie dat het recht op
terugvordering van de in het besluit van
18 november 1997 bedoelde vordering, in die zin dat nog een besluit tot
invordering kan worden genomen als bedoeld in artikel 86, eerste lid,
van de Abw, op 19 november 2002 verjaard was.
4.12. De Raad stelt met betrekking tot het besluit van 21 januari 1998
vast dat daarin is aangegeven dat de invordering van de op dat besluit
steunende vordering van uiteindelijk f 8.050,51 ( 3.498,51) omstreeks
maart 2001 zal worden bezien. Uit het voorafgaande vloeit voort dat deze
mededeling niet kan worden aangemerkt als een stuitingshandeling, nu het
College zich daarin niet ondubbelzinnig het recht op betaling van de
vordering voorbehoudt, maar de invordering afhankelijk stelt van een
nadere beoordeling. Uit de gedingstukken kan voorts niet worden afgeleid
dat appellante dit recht op terugvordering van het College erkent. De
omstandigheid dat appellante tegen het besluit van 21 januari 1998 niet in rechte is opgekomen, kan naar het oordeel van de
Raad niet worden aangemerkt als een uitdrukkelijke erkenning door
appellante van het vorderingsrecht van het College. De Raad komt, gelet
hierop, tot de conclusie dat het recht op terugvordering van de in het
besluit van 21 januari 1998 bedoelde vordering, in die zin dat nog een
besluit tot invordering kan worden genomen als bedoeld in artikel 86,
eerste lid, van de Abw, op 22 januari 2003 is verjaard.
4.13. De Raad stelt met betrekking tot het besluit van 11 maart 2002
vast dat appellante vσσr 1 juni 2002 een bedrag van 382,59 dient
terug te betalen waarvoor de gemeente uit hoofde van bijstandverlening
in de vorm van borgstelling is aangesproken. Appellante is blijkens dat
besluit in de gelegenheid gesteld om een betalingsvoorstel te doen, maar
heeft daar blijkens de gedingstukken geen gebruik van gemaakt. In het
besluit is aangegeven dat alsdan wordt overgegaan tot invordering.
Vervolgens is het College bij besluit van 19 november 2003 overgegaan
tot invordering. Aangezien de verjaring op zijn vroegst op 12 maart 2007
zou zijn ingetreden is de Raad van oordeel dat het recht op invordering
in zoverre niet door verjaring is aangetast.
4.14. Het vorenstaande betekent dat besluit 2 waarbij de invordering van
de op de besluiten van 18 november 1997, 21 januari 1998, 13 juli 1998
en 11 maart 2002 steunende terugvorderingen is gehandhaafd wegens strijd
met de wet dient te worden vernietigd. Het beroep is in zoverre gegrond.
Het College zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellante moeten
nemen met inachtneming van deze uitspraak.
5. De Raad acht termen aanwezig om het College te veroordelen tot
vergoeding van de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze
kosten worden begroot op 322,-- voor verleende rechtsbijstand in
hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond;
Vernietigt besluit 2;
Bepaalt dat het College een nieuw besluit op het bezwaar van appellante
neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van
appellante in hoger beroep tot een bedrag groot 322,--, te betalen
aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het College het door appellante in hoger beroep betaalde
griffierecht ten bedrage van 102,-- dient te vergoeden;
Wijst de gemeente Eindhoven aan als de rechtspersoon die de proceskosten
en het griffierecht dient te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.J.A.
Kooijman en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 28 maart 2007.
(get.) R.M. van Male.
(get.) S.R. Bagga.
|
|