| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / IWwb |
x
LJN: |
x
AR7248 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
03/869
NABW |
| Datum
uitspraak: |
7 december
2004
|
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
14a,
65, 69, 78
en 81 Abw
(= –,
17, 54, 58
en 58 Wwb)
/ 17 en 18
Wwb / 2
IWwb |
| Trefwoorden: |
inkomsten;
zwartwerk; schending inlichtingenverplichting; intrekking bijstand; terugvordering;
boete; hennepkweker; fraude |
| Essentie: |
Terechte
boete en intrekking en terugvordering van de bijstand wegens
verzwegen inkomsten als hennepkweker. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer Centrale
Raad van Beroep
03/869 NABW
U I T S P R
A A K
in het
geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Tilburg, gedaagde.
I. Ontstaan
en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat te Tilburg,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda
van 6 januari 2003, reg.nr. 02/426 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 9 november 2004, waar
appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de gemeente
Tilburg.
II. Motivering
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden.
Appellant ontving van gedaagde sedert 2000 een uitkering ingevolge
de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.
Naar aanleiding van de melding van de regiopolitie Midden en West
Brabant dat op 29 augustus 2001 in de woning van appellant een in
werking zijnde hennepkwekerij was ontmanteld, heeft gedaagde
onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant
verstrekte uitkering. Op basis van de uitkomsten van dit
onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport
van 20 november 2001, heeft gedaagde geconcludeerd dat appellant
in ieder geval in de periode van 9 mei 2001 tot en met 28 augustus
2001 een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd en dat er in die
periode ten minste één oogst is geweest.
Bij besluit van 20 november 2001 heeft gedaagde de aan appellant
toegekende uitkering over de periode van 9 mei 2001 tot en met 28
augustus 2001 herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat
appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen
melding te maken van zijn activiteiten als hennepkweker, waardoor
het recht van appellant op bijstand over de periode van 9 mei 2001
tot en met 28 augustus 2001 niet kan worden bepaald. Tevens heeft
gedaagde besloten de gemaakte kosten van bijstand over die periode
tot een bedrag van
ƒ9134,92 van hem terug te vorderen en hem een
boete op te leggen van ƒ950,-.
Bij besluit van 24 januari 2002 heeft gedaagde het tegen het
besluit van 20 november 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank
het beroep tegen het besluit van 24 januari 2002 ongegrond
verklaard
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij geen
werkzaamheden als hennepkweker heeft verricht en dat hij daarmee
geen inkomsten heeft verworven.
De Raad komt tot de volgende
beoordeling.
De intrekking en de terugvordering
Evenals de rechtbank is de Raad
van oordeel dat de beschikbare onderzoeksgegevens toereikend zijn
voor gedaagdes conclusie dat appellant in het betrokken tijdvak
een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd en dat er in die periode
ten minste één oogst is geweest. Gedaagde heeft die conclusie
gebaseerd op onder meer de resultaten van de huiszoeking van de
regiopolitie op 29 augustus 2001, de door appellant op 29 oktober
2001 tegenover sociaal-rechercheurs afgelegde verklaring, het
stroomverbruik van de woning van appellant ten tijde hier van
belang, alsmede het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van
het ministerie van Justitie van 16
maart 1995 inzake de opbrengst van hennepplanten bij binnenkweek.
Naar aanleiding van hetgeen appellant heeft aangevoerd, merkt de Raad
op dat de (enkele) ontkenning dat hij zich heeft beziggehouden met
het kweken van hennep haaks staat op zijn verklaring die hij
tijdens het verhoor op 29 oktober 2001 dienaangaande heeft
afgelegd. De Raad heeft geen aanleiding gezien appellant niet te
houden aan die verklaring. Voorts heeft appellant zijn stelling
dat hij geen inkomsten heeft genoten op geen enkele wijze met
verifieerbare gegevens onderbouwd, zodat deze grief reeds hierom
wordt gepasseerd.
Aangezien appellant van deze - onmiskenbaar op geld waardeerbare -
werkzaamheden geen melding heeft gedaan, heeft appellant de op hem
rustende inlichtingenverplichting geschonden, met als gevolg dat
het recht op bijstand ten tijde hier in geding niet is vast te
stellen.
Gedaagde was derhalve op grond van artikel
69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw
gehouden tot intrekking van het recht op bijstand over deze
periode over te gaan. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69,
vijfde lid, van de
Abw op grond waarvan gedaagde van
intrekking zou kunnen afzien, is de Raad
niet gebleken.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat wat de terugvordering
betreft, is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel
81, eerste lid, van Abw. De Raad
ziet in de omstandigheden van appellant geen dringende reden als
bedoeld in artikel
78, derde lid, van de Abw, zodat
gedaagde niet de bevoegdheid toekomt geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien.
De boete
Hierboven is vastgesteld dat appellant de in artikel
65, eerste lid, van de Abw
neergelegde inlichtingenverplichting niet is nagekomen. De Raad
ziet geen grond om te oordelen dat elke verwijtbaarheid ten
aanzien van deze gedraging ontbreekt en dat gedaagde daarom
toepassing had moeten geven aan artikel
14a, tweede lid, tweede volzin, van de Abw.
Voorts stelt de Raad vast dat het niet nakomen van de
inlichtingenverplichting hier heeft geleid tot het ten onrechte
verlenen van bijstand over de periode van 9 mei 2001 tot en met 28
augustus 2001, zodat zich hier geen geval voordoet als bedoeld in artikel 14a,
derde lid (tekst van 31 december 1998 tot en met 31 december
2001), van de Abw.
De opgelegde boete is aan te merken als een straf in de zin van
het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten (IVBPR). Artikel 15, eerste lid, derde volzin, van dat
verdrag bepaalt dat, indien na het begaan van het strafbare feit
de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de
overtreder daarvan dient te profiteren. De Wet werk en bijstand
(Wwb) voorziet niet langer in de mogelijkheid van het opleggen van
een boete zoals voorheen geregeld in artikel
14a van de Abw.
Uit het overgangsrecht neergelegd in artikel 2
van de
Invoeringswet Wet werk en bijstand in verbinding met artikel 2
van het inwerkingtredingsbesluit (Stb.
2003, 386) en
artikel 2 van de
Invoeringsregeling Wwb (Stcrt. 2003, nr. 203) volgt
echter dat artikel
14a
van de Abw
van kracht blijft tot uiterlijk 1 januari 2005. In het geval dat
een college van burgemeester en wethouders gebruik maakt van zijn
in artikel 2 van de
Invoeringsregeling Wwb geboden mogelijkheid van nadere
fasering van de invoering van de
Wwb (dat is: op een eerder door het
college te bepalen tijdstip dan 1 januari 2005 al uitvoering geven
aan onderdelen van de Wwb die, zoals artikel 18,
tweede lid, van de
Wwb, van onmiddellijke inwerkingtreding
op
1 januari 2004 zijn uitgezonderd), betekent dat onder meer dat artikel
14a van de Abw buiten
toepassing moet blijven vanaf het tijdstip dat een college van
burgemeester en wethouders van deze mogelijkheid gebruik maakt.
Uit de nader door gedaagde verstrekte gegevens is de Raad
gebleken dat gedaagde van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt
met ingang van 1 juli 2004 en dat op deze datum (onder andere) de
door de raad van de gemeente Tilburg
vastgestelde Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand (hierna:
de Afstemmingsverordening) in werking is getreden. Artikel
18, tweede lid, van de Wwb bepaalt,
voor zover hier van belang, dat het college van burgemeester en
wethouders de bijstand verlaagt overeenkomstig deze verordening
indien de belanghebbende de uit
deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende
nakomt. Eén van deze verplichtingen is de in artikel
17, eerste lid, van de Wwb
omschreven inlichtingenverplichting. Artikel 7, tweede lid, eerste
volzin, van de Afstemmingsverordening bepaalt voor gevallen als
hier aan de orde dat de afstemming plaatsvindt door het verlagen
van de bijstand met 10 procent van het brutofraudebedrag.
Zoals de Raad reeds heeft overwogen
in zijn uitspraak van 30 juni 2004, onder meer gepubliceerd in RSV
2004/274 en USZ 2004/273, moet in gevallen als het onderhavige,
waarin voor een bepaalde overtreding oorspronkelijk een boete op
grond van de toenmalige regelgeving is opgelegd, die in de nadien
tot stand gekomen regelgeving wordt vervangen door de hiervoor
vermelde andersoortige sanctie, deze voor de toepassing van
artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het IVBPR geacht moet
worden een “penalty” te zijn in de zin van dat artikel.
Ingevolge artikel
2, eerste lid, van het door gedaagde gehanteerde Boetebesluit
socialezekerheidswetten is de boete vastgesteld op 10 procent
van het benadelingsbedrag. Derhalve kan niet worden gezegd dat de
bepalingen van de Afstemmingsverordening met betrekking tot de
hoogte van de sanctie voorzien in een lagere sanctie dan de bij
het besluit van 24 januari 2002 gehandhaafde boete.
De Raad ziet voorts geen
aanknopingspunten voor het oordeel dat de feiten of omstandigheden
van dit geval aanleiding geven om de boete met toepassing van artikel 14a,
tweede lid, eerste volzin, van de Abw
op een ander bedrag vast te stellen. Van dringende redenen als
bedoeld in artikel 14a, vierde
lid, van de
Abw op grond waarvan gedaagde de
bevoegdheid toekomt om van het opleggen van een boete af te zien,
is de Raad niet gebleken. Gedaagde was derhalve volgens nationaal
recht verplicht aan appellant een boete als bedoeld in artikel 14a,
eerste lid (tekst tot en met 31 december 2001), van de
Abw op te leggen.
Slotoverwegingen
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De
aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor
een veroordeling in de proceskosten.
III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.M.
van Male en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van
mr. R. van den Munckhof als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 7 december 2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) R. van den Munckhof.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / IWwb / Wet Rea / Awb |
x
LJN: |
x
AP1140 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Arnhem |
| Zaaknummers: |
AWB
03/1965, AWB 03/1966 en AWB 04/523 |
| Datum
uitspraak: |
10
mei 2004 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
14,
107
en
113 Abw
(=
18, 9 en 9
Wwb) / 21
IWwb / 3:2,
3:9 en 7:12
Awb
|
| Trefwoorden: |
arbeidsongeschiktheid;
arbeidsgehandicapte;
onderzoek; keuring; advies; zorgvuldigheid; motivering;
arbeidsverplichtingen; ontheffing; vrijstelling; maatregel;
sanctie; registratie CWI; inschrijving |
| Essentie: |
Onzorgvuldige
besluitvorming vanwege onzorgvuldig medisch onderzoek naar
arbeidsongeschiktheid. Als arbeidsgehandicapte in de zin van de
Wet Rea met volledige ontheffing van de arbeidsverplichtingen ex
artikel 113 Abw is betrokkene onterecht een maatregel opgelegd
wegens het niet geregistreerd zijn bij de CWI. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige
kamer Rechtbank
Arnhem
AWB 03/1965, AWB 03/1966 en
AWB 04/523
U
I T S P R A A K
ingevolge artikel 8:77 van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Nijmegen, verweerder.
1.
Aanduiding bestreden besluiten
Besluiten van verweerder van 29 juli 2003 (besluiten I en II).
2.
Procesverloop
Procesverloop voorafgaand aan besluit I van 29 juli 2003
betreffende het opleggen van de arbeidsverplichtingen en het niet
aanmerken van eiser als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea).
Bij besluit van 28 mei 2003 heeft verweerder aan eiser de
volledige arbeidsverplichtingen in de zin van artikel
113, eerste lid, van de Algemene
bijstandswet (Abw) opgelegd.
Bij besluit van 9 juli 2003 heeft verweerder eiser medegedeeld dat
hij niet wordt aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van de
Wet Rea.
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit I heeft verweerder de
daartegen door eiser ingediende bezwaren ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een
verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen
ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Procesverloop voorafgaand aan besluit II van 29 juli 2003
betreffende het opleggen van een maatregel
Bij besluit van eveneens 28 mei 2003 heeft verweerder aan eiser
met ingang van 1 juni 2003 een maatregel opgelegd ingevolge artikel
14, eerste lid, van de Abw in de
vorm van een verlaging van zijn uitkering met 5% gedurende één
maand.
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit II heeft verweerder het
daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een
verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen
ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank
van 29 maart 2004. Eiser is aldaar in persoon verschenen.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.T.J. van
Nieuwenhuijze.
3.
Overwegingen
In dit geding moet worden beoordeeld of de bestreden besluiten I
en II de rechterlijke toetsing kunnen doorstaan.
Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet werk
en bijstand (Wwb) in werking getreden en is de Abw
ingetrokken. De bestreden besluiten zijn tot stand gekomen onder
de werking van de Abw. Ingevolge artikel
21, eerste lid, onderdeel a, van de Invoeringswet
Wwb (IWwb) dient in deze zaak met toepassing van de Abw te
worden beslist.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank
het volgende gebleken.
Eiser ontvangt een uitkering ingevolge de Abw.
Op 11 december 2001 heeft hij een volledig medisch onderzoek
ondergaan bij Argonaut. In de rapportage vermeldt de
verzekeringsgeneeskundige dat de klachten van eiser konden worden
verklaard bij uitvoerig geestelijk en lichamelijk onderzoek en
concludeert hij dat er sprake is van ziekte of gebreken die leiden
tot structurele functionele beperkingen van lichamelijke en
psychische aard. Op basis van dit advies werd eiser
arbeidsongeschikt geacht tot in ieder geval december 2002 en werd
hij aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet
Rea.
Op 27 januari 2003 heeft opnieuw een medisch onderzoek door
Argonaut plaatsgevonden. In zijn advies van 10 mei 2003 geeft de
arts voor arbeid en gezondheid K. van Rijn aan dat eiser geschikt
is voor voltijdse arbeid, mits in zekere mate rekening wordt
gehouden met de pijnklachten en spanningsgevoeligheid in algemene
zin. Totdat zijn conditie is opgebouwd, dient eiser enigszins te
worden ontzien in zware lichamelijke arbeid. Met betrekking tot de
verrichte onderzoeksactiviteiten wordt vermeld dat in overleg met
eiser geen informatie werd ingewonnen bij de behandelend sector,
omdat de medische situatie en de functionele mogelijkheden
duidelijk zijn. Een lichamelijk onderzoek wordt niet verricht.
In het rapport van 9 juni 2003 concludeert registerarbeidsdeskundige
W. Penninx dat eiser in staat is tot het verrichten van arbeid. De
arbeidsdeskundige oordeelt vervolgens dat eiser niet als
arbeidsgehandicapt dient te worden beschouwd. De afstand tot de
arbeidsmarkt wordt bepaald op fase 2.
Op 27 maart 2003 heeft een heronderzoek plaatsgevonden waaruit
naar voren is gekomen dat eiser zijn inschrijving als werkzoekende
bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI)
niet heeft verlengd. Blijkens het rapport van het heronderzoek van
28 mei 2003 zonder legitieme reden. Eiser heeft zich op 28 maart
2003 doen inschrijven bij het CWI.
Ten aanzien van besluit I, betreffende het niet aanmerken van
eiser als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet Rea
Bij het bestreden besluit heeft verweerder eiser in staat geacht
een fulltimebaan te kunnen verrichten, mits er rekening gehouden
wordt met zijn belemmeringen. Eiser is derhalve niet aangemerkt
als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet
Rea.
Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op de rapportage van 10
mei 2003 van de arts voor arbeid en gezondheid en de rapportage
van 9 juni 2003 van de registerarbeidsdeskundige. Verweerder stelt
dat de adviezen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen.
Eiser kan zich hiermee niet verenigen en stelt zich op het
standpunt dat het onderzoek van verweerder onvolledig is, nu geen
informatie is ingewonnen bij de behandelend artsen en er geen
lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden.
De rechtbank
overweegt als volgt.
In artikel 3:2 van de Awb
is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een
besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en
de af te wegen belangen.
In artikel 3:9 van de Awb
is bepaald dat indien een besluit berust op een onderzoek naar
feiten en omstandigheden door een adviseur verricht, het
bestuursorgaan er zich van dient te vergewissen dat dit onderzoek
op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
De rechtbank
stelt voorop dat een (medisch) advies dat is uitgebracht door een
ter zake deskundige in het algemeen voldoende grondslag vormt voor
een beslissing als waartegen eiser thans in beroep opkomt.
Uit vaste jurisprudentie van de Centrale
Raad van Beroep (onder andere CRvB 22 december 1998, JABW
1999/20) blijkt evenwel dat het op de weg van het bestuursorgaan
ligt zich ervan te vergewissen dat de adviezen van de in te
schakelen deskundigen voldoen aan de eisen die uit een oogpunt van
zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf moeten worden gesteld.
Om die reden kan van een deugdelijke advisering die het
bestuursorgaan de mogelijkheid biedt om daarop af te gaan slechts
sprake zijn indien uit die adviezen ten minste blijkt op basis van
welke gegevens deze tot stand zijn gebracht en welke procedure bij
het tot stand brengen van die adviezen is gevolgd.
Naar het oordeel van de rechtbank
zijn de adviezen van de arts voor arbeid en gezondheid en de registerarbeidsdeskundige
zodanig kort geformuleerd dat niet aan vorenstaand toetsingskader
is voldaan. De rechtbank stelt vast dat er door de arts geen
lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, alsmede dat geen
informatie bij de huisarts of de behandelend sector is ingewonnen.
De rechtbank is van oordeel dat in het kader van een deugdelijke
advisering in beginsel niet kan worden volstaan met een advies
louter gebaseerd op door de betrokkene gegeven informatie, maar
dat tevens is vereist dat informatie wordt ingewonnen bij de
behandelend sector c.q. de huisarts, te meer daar eiser heeft
betwist dat in overleg met hem hiervan werd afgezien.
Dit klemt te meer nu de rechtbank vaststelt dat verweerder op
basis van voornoemd advies tot een geheel ander besluit komt dan
ten tijde in 2001, terwijl aan dit besluit geen nieuwe medische
gegevens ten grondslag zijn gelegd en ook anderszins niet is
gebleken van gewijzigde omstandigheden. Nu het advies van de arts
bovendien onvoldoende inzicht geeft in het antwoord op de vraag op
grond waarvan eiser op het moment ten tijde in geding volledig
arbeidsgeschikt geacht wordt en derhalve niet wordt aangemerkt als
arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet
Rea,
is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op het
vorenstaande, haar besluit niet op dit advies heeft kunnen
baseren.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat besluit I wegens strijd
met artikel 3:2 en artikel
3:9 van de Awb in zoverre niet in
stand kan blijven.
Ten aanzien van besluit I, betreffende het opleggen van de
arbeidsverplichtingen
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser volgens de
eerder genoemde adviezen van 10 mei 2003 en 9 juni 2003 in staat
moet worden geacht om fulltimewerkzaamheden te verrichten. Gelet
op het medisch en arbeidskundig onderzoek heeft verweerder met
toepassing van artikel 107, eerste lid,
juncto artikel 113, eerste lid, van de Abw
aan eiser de arbeidsverplichtingen opgelegd.
Eiser heeft dit besluit gemotiveerd aangevochten. Op zijn
stellingen zal de rechtbank,
voor zover nodig, in het navolgende ingaan.
De rechtbank
overweegt als volgt.
Aan de Abw ligt het uitgangspunt ten
grondslag dat een ieder in beginsel zelf verantwoordelijk is voor
de voorziening in het bestaan. Als uitvloeisel van dit
uitgangspunt wordt van bijstandsgerechtigden een actieve houding
verwacht ten aanzien van de inschakeling in het arbeidsproces.
De rechtbank
stelt voorop dat de bevoegdheid om met toepassing van artikel
107, eerste lid, van de Abw een
bijstandsgerechtigde ontheffing te verlenen van de
arbeidsverplichtingen een discretionaire bevoegdheid betreft van
verweerder.
De rechtbank dient zich derhalve te beperken tot de beoordeling of
verweerder bij de uitoefening van deze bevoegdheid in strijd heeft
gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel
met enig algemeen rechtsbeginsel.
Verweerder heeft aan zijn beslissing dat er geen medische
belemmeringen zijn voor het opleggen van de arbeidsverplichtingen
ingevolge artikel 113, eerste lid, van de
Abw, het medisch en arbeidsdeskundig
onderzoek van Argonaut ten grondslag gelegd.
Zoals hiervoor overwogen, is de rechtbank
van oordeel dat het advies van Argonaut op onvoldoende zorgvuldige
wijze tot stand is gekomen.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank
van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet op basis van
voornoemd advies tot het opleggen van de arbeidsverplichtingen op
grond van artikel 107, eerste lid, juncto
artikel 113, eerste lid, van de Abw
heeft kunnen besluiten.
Besluit I komt derhalve geheel voor vernietiging in aanmerking
wegens strijd met de artikelen 3:2 en
3:9 van de Awb.
Het beroep tegen besluit I dient dan ook gegrond te worden
verklaard.
Ten aanzien van besluit II
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser zijn
inschrijving bij het CWI niet tijdig heeft
verlengd, waardoor sprake is van een maatregelwaardige gedraging
als bedoeld in artikel 14, eerste lid,
van de Abw in samenhang met artikel
3, aanhef en eerste lid, sub a [aanhef en onderdeel 1, onder
a, red.], van het Maatregelenbesluit
Abw, Ioaw en Ioaz (Stb. 1996, 360, laatst gewijzigd Stb.
2001, 687).
Verweerder heeft met toepassing van artikel
5, eerste lid, onderdeel a, van het Maatregelenbesluit
Abw, Ioaw en Ioaz het recht van eiser op bijstand voor de duur
van één maand met 5% verlaagd.
Eiser heeft dit besluit gemotiveerd aangevochten. Op zijn
stellingen zal de rechtbank, voor
zover nodig, in het navolgende ingaan.
In geding is de vraag of verweerder terecht tot een maatregel
heeft besloten wegens het niet nakomen door eiser van de
verplichting om ervoor te zorgen dat hij als werkzoekende
geregistreerd is bij de Centrale organisatie
werk en inkomen en geregistreerd blijft.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat eiser
bij onherroepelijk geworden besluit van 21 juni 2002 de
verplichting is opgelegd dat hij als werkzoekende geregistreerd is
bij het CWI
en geregistreerd blijft.
Eiser heeft gesteld dat hij dit besluit niet meer kon vinden. Naar
het oordeel van de rechtbank volgt hier niet uit dat eiser dit
besluit ook niet heeft ontvangen. De rechtbank is dan ook van
oordeel dat eiser van de verplichting op de hoogte had kunnen
zijn.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser zijn inschrijving
niet tijdig heeft verlengd. Verweerder stelt zich op het standpunt
dat eiser, door het niet tijdig verlengen van de inschrijving,
waardoor hij gedurende de periode 11 oktober 2002 tot 28 maart
2003 niet ingeschreven heeft gestaan als werkzoekende, onvoldoende
heeft meegewerkt aan het verkrijgen van arbeid in
dienstbetrekking.
In voornoemd besluit van 21 juni 2002 wordt eiser evenwel tevens
voorlopig vrijgesteld van de verplichtingen van artikel
113 Abw,
genoemd onder a, c, d, e en f.
Verweerder geeft aan dit besluit genomen te hebben op grond van
een medisch advies - van 11 december 2001 - van Argonaut. Na
herziening van het advies zal de situatie opnieuw worden bekeken.
Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat,
ingeval er sprake is van een (tijdelijke) ontheffing van de
arbeidsverplichtingen, zoals in het onderhavige geval, eiser niet
gehouden is een door het CWI
aangeboden baan te accepteren. Desgevraagd gaf de gemachtigde te
kennen dat de inschrijvingsverplichting in het geval van een
tijdelijke ontheffing louter een administratief doelt dient.
De verplichtingen opgenomen in artikel 113
Abw
zijn gericht op herinschakeling in het arbeidsproces. In geval van
een - tijdelijke - ontheffing van de arbeidsverplichtingen is
eiser, zoals door verweerder ter zitting is bevestigd, niet
gehouden aangeboden arbeid te accepteren. Nu eiser niet gehouden
was arbeid te aanvaarden, kan dan ook niet gesteld worden dat
eiser arbeidskansen heeft gemist.
Gezien vorenstaande is de rechtbank
van oordeel dat het bestreden besluit wegens strijd met het
motiveringsbeginsel niet in stand kan blijven. Derhalve komt
besluit II wegens strijd met artikel
7:12 van de Awb voor vernietiging
in aanmerking.
Het beroep tegen besluit II dient eveneens gegrond te worden
verklaard.
Nu niet gebleken is van door eiser gemaakte proceskosten die voor
vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank
geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank,
mede gelet op artikel 8:74 van de Awb,
tot de volgende beslissing.
4.
Beslissing
de rechtbank:
verklaart de beroepen tegen de besluiten I en II gegrond;
vernietigt de besluiten I en II en bepaalt dat verweerder nieuwe
besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze
uitspraak is overwogen;
bepaalt voorts dat de gemeente
Nijmegen
aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad €|31,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.F. Gielissen, rechter, in
tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg, griffier, en in het
openbaar uitgesproken op 10 mei 2004.
De
griffier, De
rechter,
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het
bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13
van de Awb, binnen zes weken na de
dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep,
postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AT0206 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummers: |
02/2742
NABW en 02/2743 NABW |
| Datum
uitspraak: |
8
maart 2005 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
9,
54, 65, 69
en 81
Abw (= 13,
34, 17, 54
en 58 Wwb)
/ 3:2, 7:12
Awb |
| Trefwoorden: |
inkomsten;
zwartwerk; vermogen; detentie; intrekking bijstand;
terugvordering; auto; gebruikskosten; schadevergoeding;
drugshandel; fraude |
| Essentie: |
Deels
terechte intrekking en terugvordering van bijstand wegens
(verzwegen) oververmogen (waarde personenauto's minus
gebruikskosten), verzwegen inkomsten (uit criminele
activiteiten) en verzwegen detentie. Afwijzing verzoek tot
schadevergoeding. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige
kamer Centrale
Raad van Beroep 02/2742 NABW en 02/2743 NABW
U
I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Zeist, gedaagde.
I. Ontstaan van
het geding
Namens appellanten heeft mr. G.M. Kool, advocaat te Breukelen, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Utrecht van 11 april 2002, reg.nr. SBR 01/877.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken aan de Raad
gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005, waar voor
appellanten is verschenen mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, en
waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door H. Roemers,
werkzaam bij de gemeente Zeist.
II. Motivering
De Raad
gaat uit
van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
Appellanten ontvingen sedert 27 november 1997 een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm
voor gehuwden.
Naar aanleiding van het bij gedaagde gerezen vermoeden dat appellant
zich heeft beziggehouden met criminele activiteiten, heeft de Sociale
Recherche Zuid-Oost Utrecht een onderzoek ingesteld naar de
rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader
is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn inlichtingen ingewonnen
bij derden en is gebruik gemaakt van gegevens uit het dossier van de
tegen appellant aangespannen strafzaak en van een proces-verbaal van het
Bureau Financiële Ondersteuning (BFO) van de politieregio Utrecht van
22 september 2000. Appellanten hebben in dat kader geen verklaring
willen afleggen.
Gelet op het resultaat van het onderzoek van de sociale recherche,
waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 30 november
2000, heeft gedaagde bij besluit van 8 december 2000 het recht op
bijstand van appellanten over de periode van 27 september 1997 tot 1
september 2000 ingetrokken op de grond dat appellanten in die periode
beschikten over een vermogen boven de grens als bedoeld in artikel
54 van de Abw. Tevens heeft gedaagde
besloten de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van
appellanten terug te vorderen tot een bedrag van ƒ87.082,09.
Bij besluit van 3 mei 2001 heeft gedaagde de daartegen gemaakte bezwaren
ongegrond verklaard. Daarbij is de grondslag van de intrekking aangevuld
in die zin dat is overwogen dat appellanten in de in geding zijnde
periode een wederrechtelijk voordeel hebben verkregen van minimaal ƒ134.183,-,
dat appellanten tot 3 maart 2000 gebruik maakten van twee
personenauto’s en dat appellant vanaf 25 april 2000 gedetineerd is
geweest, waarvan geen mededeling aan gedaagde is gedaan.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank
het beroep tegen het besluit van 3 mei 2001 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
Bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam
van 26 juni 2002 is appellant veroordeeld tot een gevangenisstraf van
vier jaren. Daarbij heeft het Hof onder meer bewezen verklaard -
samengevat - dat appellant in de periode van oktober 1999 tot en met 25
april 2000 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie,
dat hij op 31 maart 2000 in [woonplaats] een hoeveelheid XTC-tabletten
heeft afgeleverd en aanwezig heeft gehad, dat hij in Utrecht een
hoeveelheid XTC-tabletten aanwezig heeft gehad en dat hij in februari
2000 in Bilthoven 1.726.800 sigaretten voorhanden heeft gehad.
De Raad
komt tot de volgende
beoordeling.
De intrekking
Bij de bespreking van de intrekking zal de Raad,
gelet op de hiervoor vermelde feiten, uitgaan van drie te onderscheiden
periodes.
De periode van 27 november 1997 tot 1 oktober 1999
Aan de intrekking van het recht op bijstand over deze periode ligt ten
grondslag het standpunt van gedaagde dat appellanten hebben beschikt
over vermogen boven de vermogensgrens en over inkomsten uit criminele
activiteiten.
Naar het oordeel van de Raad
bieden de gedingstukken
voor dat standpunt evenwel geen toereikende grondslag, waartoe het
volgende wordt overwogen.
Wat het vermogen betreft, kan uit de gedingstukken uitsluitend de
eigendom van de Honda Civic met het kenteken [kenteken 1] worden
afgeleid. Niet is komen vast te staan dat ook de Ford Scorpio met het
kenteken [kenteken 2] aan appellanten in eigendom toebehoorde, zodat
deze auto niet tot hun vermogen kan worden gerekend. Appellante heeft de
Honda in juni 1995 gekocht voor een bedrag van ƒ52.500,-.
Bij gebreke van nadere gegevens betreffende de waarde van deze auto in
de periode van 27 november 1997 tot 1 oktober 1999 kan niet zonder meer
worden vastgesteld dat het vermogen van appellanten als gevolg van het
bezit van deze auto over deze gehele periode het bedrag van de
toepasselijke vermogensgrens te boven ging.
In het proces-verbaal van het BFO is het vermoedelijk door appellant in
de periode van januari 1995 tot april 2000 genoten wederrechtelijk
voordeel berekend. Voor de thans besproken periode komt daaraan evenwel
onvoldoende betekenis toe. De door het BFO vermelde feiten die zich in
de periode tot 1 oktober 1999 hebben voorgedaan, hebben niet geleid tot
een veroordeling door de strafrechter. Evenmin is sprake geweest van
definitieve vaststelling van het wederrechtelijk voordeel uit deze
feiten of van een ontnemingsvordering. De constatering in het
proces-verbaal dat appellant in 1996 uit criminele activiteiten een
bedrag van minimaal (ruim) ƒ120.000,-
moet hebben verkregen, is tegen die achtergrond dan ook onvoldoende.
Daarbij betrekt de Raad
dat de onderliggende
stukken, zoals de relevante processen-verbaal, betreffende de
totstandkoming van dat voordeel ontbreken. Voor het overige zijn geen
inkomsten over de periode van 27 november 1997 tot 1 oktober 1999
vastgesteld.
Het voorgaande leidt de Raad
tot de conclusie dat
het besluit van 3 mei 2001 in zoverre onvoldoende zorgvuldig is
voorbereid en berust op een ondeugdelijke motivering. Het komt dan ook
in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2
respectievelijk 7:12, eerste lid, van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal
gedaagde opdragen in zoverre een nieuw besluit te nemen op het bezwaar
van appellanten. Met het oog daarop overweegt de Raad dat gedaagde in
dat kader het aan het bezit van de Honda verbonden vermogen van
appellanten zal dienen te bepalen aan de hand van voldoende objectieve
branchegegevens, zoals de ANWB-koerslijst. Verder dienen de aan het
gebruik van beide auto’s verbonden kosten, zoals door appellanten
opgevoerd, bij de bepaling van het vermogen buiten beschouwing te
blijven.
De periode van 1 oktober 1999 tot 25 april 2000
Gelet op het arrest van het Hof van 26
juni 2002 moet als vaststaand worden aangenomen dat appellant in deze
periode criminele activiteiten heeft verricht. Gelet op aard en omvang
van deze activiteiten is de Raad
van oordeel dat het
hier gaat om activiteiten die op geld waardeerbaar zijn, zodat deze
relevant zijn voor de vaststelling van (de omvang van) het recht op
bijstand. De Raad acht het ook aannemelijk dat daaruit daadwerkelijk
inkomsten zijn verkregen. De Raad ziet echter onvoldoende grondslag voor
het standpunt van gedaagde dat appellant gedurende deze periode heeft
beschikt over vermogen boven de vermogensgrens en/of over maandelijkse
inkomsten boven de toepasselijke bijstandsnorm.
Naast hetgeen hiervoor is overwogen over de aan appellanten toebehorende
auto, overweegt de Raad dat voor één en ander onvoldoende concrete
gegevens voorhanden zijn.
Ook in zoverre ontbeert het besluit van 3 mei 2001 een deugdelijke
motivering en komt het wegens strijd met artikel
7:12, eerste lid, van de Awb voor
vernietiging in aanmerking.
De Raad
ziet aanleiding om, met
toepassing van artikel 8:72, derde lid,
van de Awb, de rechtsgevolgen van dit te
vernietigen gedeelte van het besluit van 3 mei 2001 in stand te laten.
Vaststaat dat appellanten van de hiervoor bedoelde activiteiten van
appellant en van de daaruit verkregen inkomsten in strijd met de
ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw,
op hen rustende inlichtingenverplichting geen melding hebben gemaakt aan
gedaagde. Appellanten hebben van de uit de activiteiten ontvangen
inkomsten ook geen administratie bijgehouden. Hierdoor hebben
appellanten gedaagde de mogelijkheid ontnomen om zich een oordeel te
vormen over aard en omvang van deze activiteiten en de hoogte van de aan
appellanten toe te rekenen inkomsten. Als gevolg daarvan kan niet worden
vastgesteld of, en zo ja, in welke mate appellanten verkeerden in
bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel
7, eerste lid, van de Abw. Dit betekent
dat gedaagde gehouden was met toepassing van artikel
69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw
het recht op bijstand over deze periode in te trekken. De Raad is niet
gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel
69, vijfde lid, van de Abw, op grond
waarvan gedaagde bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van intrekking af
te zien.
De periode vanaf 25 april 2000
Appellant was in deze periode gedetineerd. Gelet op artikel
9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw
had hij vanaf 25 april 2000 niet langer recht op een bijstandsuitkering.
Aan appellanten kwam derhalve vanaf die datum geen bijstand meer toe
naar de norm voor gehuwden. Appellanten hebben van de detentie, in
strijd met de hiervoor vermelde inlichtingenverplichting, geen
mededeling aan gedaagde gedaan. Als gevolg daarvan is aan appellanten
over de periode van 25 april 2000 tot 1 september 2000 ten onrechte
gezinsbijstand verleend. Gedaagde was dan ook gehouden het recht op die
bijstand met toepassing van artikel 69, derde
lid, aanhef en onder a, van de Abw
in te trekken. Van dringende redenen om van intrekking af te zien, is de
Raad
ook wat deze periode
betreft niet gebleken.
In zoverre slaagt het hoger beroep derhalve niet.
De terugvordering
Uit het voorgaande volgt dat over de periode van 27 november 1997 tot 1
oktober 1999 niet is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering met
toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw.
Over de periode van 1 oktober 1999 tot 1 september 2000 is dat wel het
geval. Van dringende reden om wat die periode betreft geheel of
gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is de Raad
niet gebleken.
Het besluit van 3 mei 2001 komt voor zover het ziet op de terugvordering
niettemin geheel voor vernietiging in aanmerking. Het
terugvorderingsbesluit moet immers als één geheel worden beschouwd, nu
dit - zoals ook in dit geval - uitmondt in één bedrag aan
teruggevorderde bijstand. Dat klemt te meer nu een
terugvorderingsbesluit een executoriale titel oplevert. Gedaagde zal ook
in zoverre een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen.
Slotoverwegingen
Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak dient te worden
vernietigd en dat het beroep van appellanten gegrond moet worden
verklaard.
Appellanten hebben de Raad
verzocht gedaagde te
veroordelen tot schadevergoeding indien hun beroep gegrond wordt
verklaard. Uit de onderbouwing van dat verzoek blijkt dat het ziet op de
periode vanaf de datum waarop appellant werd gedetineerd. Volgens
appellanten had appellante vanaf die datum bijstand naar de norm voor
een alleenstaande behoren te ontvangen.
De Raad
overweegt hierover in
de eerste plaats dat gedaagde volgens vaste rechtspraak niet gehouden
was om ambtshalve te besluiten of appellante per 25 april 2000 voor
bijstand naar de norm voor een alleenstaande in aanmerking kwam.
Voorts is gebleken dat aan appellante op basis van een nieuwe aanvraag
met ingang van 7 januari 2002 een bijstandsuitkering naar de norm voor
een alleenstaande is toegekend. Ter zitting is komen vast te staan dat
tegen dit besluit geen bezwaar is gemaakt. Verder blijkt uit de
gedingstukken dat twee eerdere aanvragen van appellante door gedaagde
met toepassing van artikel 4:5 van de Awb
buiten behandeling zijn gesteld. De desbetreffende besluiten van
gedaagde zijn inmiddels eveneens in rechte onaantastbaar geworden.
Gelet daarop en in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen over
de intrekking van het recht op bijstand van appellanten over de periode
van 25 april 2000 tot 1 september 2000, ziet de Raad
geen grondslag voor
veroordeling van gedaagde tot schadevergoeding. Het verzoek van
appellanten daartoe zal derhalve worden afgewezen.
De Raad
ziet ten slotte
aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten.
Deze kosten worden begroot op €|644,- in
beroep en op €|644,- in hoger beroep voor
verleende rechtsbijstand.
III. Beslissing
De Centrale Raad
van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep van appellanten gegrond;
vernietigt het besluit van 3 mei 2001 voor zover het ziet op de
intrekking over de periode van 27 november 1997 tot 25 april 2000 en op
de terugvordering;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het
besluit van 3 mei 2001 in stand blijven voor zover het de intrekking
over de periode van 1 oktober 1999 tot 25 april 2000 betreft;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt voor zover het
de intrekking over de periode van 27 november 1997 tot 1 oktober 1999 en
de terugvordering over het tijdvak van 27 november 1997 tot 1 september
2000 betreft;
wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag
van €|1288,-,
te betalen door de gemeente
Zeist
aan de griffier van de Raad;
bepaalt dat de gemeente Zeist aan appellanten het in beroep en hoger
beroep betaalde griffierecht van in totaal €|109,23
vergoedt.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van M.
Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2005.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) M. Pijper.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AT0123 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
02/3253
NABW |
| Datum
uitspraak: |
1
maart 2005 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
39
Abw (= 35
Wwb) / 4:6
Awb |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; kosten lekvrije stofzuiger; medische noodzaak; afwijzing herhaalde aanvraag; geen nieuwe feiten of
omstandigheden |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing herhaalde bijzonderebijstandsaanvraag voor kosten lekvrije stofzuiger, omdat geen nieuwe
feiten of omstandigheden zijn aangevoerd. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer Centrale
Raad van Beroep 02/3253 NABW
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Arnhem, gedaagde.
I.
Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Arnhem van 1 mei 2002, reg.nr. 00/614 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nr. 02/3263 NABW,
behandeld ter zitting van 18 januari 2005, waar voor appellant is
verschenen mr. Van Willigen, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. E. Tanamal, werkzaam bij de gemeente
Arnhem.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde
zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk
uitspraak gedaan [zie LJN AT0173, red.].
II. Motivering
De Raad gaat uit van de volgende in
dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontvangt van gedaagde sedert 1982 een
bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.
Op 5 januari 1998 diende appellant een aanvraag in om bijzondere
bijstand in de kosten van onder meer een zogenoemde lekvrije
stofzuiger. Bij besluit van 24 maart 1998 heeft gedaagde deze
aanvraag afgewezen op de grond dat geen medische noodzaak aanwezig
is met betrekking tot de kosten waarvoor bijstand is aangevraagd,
waarmee is aangegeven dat geen sprake is van kosten als bedoeld in
artikel 39 van de Abw.
Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
Op 26 april 1999 heeft appellant opnieuw bijzondere bijstand
aangevraagd in de kosten van een lekvrije stofzuiger. Bij besluit
van 5 augustus 1999 is ook deze aanvraag afgewezen door gedaagde
op de grond dat niet is gebleken van nieuw gebleken feiten of
veranderde omstandigheden in de zin van artikel
4:6 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
Het tegen het besluit van 5 augustus 1999 gemaakte bezwaar is bij
besluit van 22 februari 2000 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank
het tegen het besluit van 22 februari 2000 ingestelde beroep
ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft
gedaagde de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand in de
kosten van een lekvrije stofzuiger terecht afgewezen met
toepassing van artikel 4:6, tweede
lid, van de Awb.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor
zover hierbij het tegen het besluit van 22 februari 2000
ingestelde beroep ongegrond is verklaard.
De Raad komt tot de volgende
beoordeling.
In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb
is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende
beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager
gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te
vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan,
wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden
worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel
4:5 van de Awb, de aanvraag
afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Appellant heeft aangevoerd dat in zijn geval sprake is van nieuw
gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Hij heeft in dit
verband gewezen op de door hem overgelegde brieven van zijn
behandelend longarts dr. F.J.J. van Elshout en de resultaten van
een door de consumentenbond uitgevoerde test van goedkope
stofzuigers onder €|100,-. Daarbij
gaat het naar het oordeel van de Raad
echter niet om relevante nieuw gebleken feiten of veranderde
omstandigheden in de zin van artikel 4:6
van de Awb, aangezien uit die
gegevens niet blijkt dat er voor appellant een noodzaak bestond
een lekvrije stofzuiger aan te schaffen. Die noodzaak volgt niet
uit de opmerking van Van Elshout dat appellant een allergie voor
voorraadmijt heeft en dat hem saneringsadviezen zijn gegeven, en
evenmin uit de conclusie van de test van de consumentenbond dat
mensen met een allergie voor stof en uitwerpselen van de
huisstofmijt baat hebben bij een goede filtratie.
Gedaagde was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel
4:6, tweede lid, van de Awb de
aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te
volstaan met te verwijzen naar het besluit van 24 maart 1998. In
hetgeen door appellant is gesteld, ziet de Raad
geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van die
bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor zover aangevochten
voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen
aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. Beslissing
De Centrale Raad
van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van
mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
1 maart 2005.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) M.C.M. Hamer.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AT0173 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
02/3263
NABW |
| Datum
uitspraak: |
1
maart 2005 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
39
Abw (= 35
Wwb) / 4:6
Awb |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; kosten wasdroger; medische noodzaak; afwijzing herhaalde aanvraag; geen nieuwe feiten of
omstandigheden; heroverweging |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing herhaalde
bijzonderebijstandsaanvraag voor kosten wasdroger, omdat geen nieuwe
feiten of omstandigheden zijn aangevoerd. Heroverweging in volle
omvang. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer Centrale
Raad van Beroep 02/3263 NABW
U
I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Arnhem, gedaagde.
I. Ontstaan en
loop van het geding
Namens appellant heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Arnhem van 13 mei 2002, reg.nr. 00/615 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nr. 02/3253 NABW,
behandeld ter zitting van 18 januari 2005, waar voor appellant is
verschenen mr. Van Willigen, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. E. Tanamal, werkzaam bij de gemeente
Arnhem. Na de sluiting van
het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze
zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan [zie LJN
AT 0123, red.].
II. Motivering
De Raad
gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
Appellant ontvangt van gedaagde sedert 1982 een bijstandsuitkering,
laatstelijk ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw) naar de
norm voor een alleenstaande.
In februari 1998 diende appellant een aanvraag in om bijzondere bijstand
in de kosten van een wasdroger. Bij besluit van 23 maart 1998 heeft
gedaagde deze aanvraag afgewezen op de grond dat een wasdroger medisch
niet noodzakelijk was, waarmee is aangegeven dat geen sprake is van
kosten als bedoeld in artikel
39 van de Abw.
Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
Op 26 april 1999 heeft appellant opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd
in de kosten van een wasdroger. Bij besluit van 5 augustus 1999 is ook
deze aanvraag afgewezen door gedaagde.
Het tegen het besluit van 5 augustus 1999 gemaakte bezwaar is bij
besluit van 22 februari 2000 na een inhoudelijke beoordeling ongegrond
verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank
het tegen het besluit van 22 februari 2000 ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad
komt tot de volgende beoordeling.
De Raad
stelt vast dat in dit geval de situatie aan de orde is dat na een
afwijzing van een eerdere aanvraag voor bijzondere bijstand in de kosten
van een wasdroger opnieuw een soortgelijke aanvraag is ingediend gericht
op het verkrijgen van bijzondere bijstand voor dezelfde ten tijde van
die laatste aanvraag nog te maken kosten. Naar het oordeel van de Raad
dient de aanvraag van appellant onder de gegeven omstandigheden te
worden opgevat als een verzoek dat ertoe strekt dat gedaagde van het
eerdere besluit terugkomt. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft
gedaagde in bezwaar de zaak in volle omvang inhoudelijk beoordeeld,
hetgeen echter niet tot een toekenning van bijstand heeft geleid.
Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere
afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij
het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het
bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Indien het
bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere
afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing
als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van
toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven
termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht.
Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de
oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag
of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, en
zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om
het oorspronkelijke besluit te herzien.
Ter ondersteuning van zijn herhaalde aanvraag heeft appellant gewezen op
de door hem overlegde brieven van zijn behandelend longarts dr. F.J.J.
van Elshout en de rapportage van de verzekeringsarts F.G. Slebus.
Daarbij gaat het naar het oordeel van de Raad
niet om relevante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in
de zin van artikel
4:6 van de Awb,
aangezien uit die gegevens niet blijkt dat er voor appellant een
noodzaak bestond een wasdroger aan te schaffen. Die noodzaak volgt niet
uit de opmerking van Van Elshout dat appellant een allergie voor
voorraadmijt heeft en dat hem saneringsadviezen zijn gegeven, en evenmin
uit de conclusie van de rapportage van Slebus dat appellant beperkingen
heeft met betrekking tot dragen en tillen, reeds omdat die rapportage is
opgesteld in verband met een medische beoordeling in het kader van de
vaststelling van de mate van arbeidshandicap als bedoeld in artikel
2, derde lid, van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten. De Raad vindt voor zijn oordeel ook overigens
steun in het advies van de Dienst Brandweer en Volksgezondheid van 9
november 1999.
Daarvan uitgaande kan naar het oordeel van de Raad
niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot het bestreden
besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in
strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een
algemeen rechtsbeginsel.
De aangevallen uitspraak komt derhalve, zij het op andere gronden, voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad
ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. Beslissing
De Centrale Raad
van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr.
M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1
maart 2005.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) M.C.M. Hamer.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|