| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AT0209 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
03/4207
NABW |
| Datum
uitspraak: |
8
maart 2005 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
63a,
67 en 68a
Abw
(= 41, 43
en 44 Wwb) |
| Trefwoorden: |
terugwerkende kracht;
bijstandverlening; ingangsdatum bijstand; meldingsdatum;
aanvang; verblijfsvergunning met terugwerkende kracht |
| Essentie: |
Terecht
geen bijstand met terugwerkende kracht verleend. Ingangsdatum
bijstandverlening is gelijk aan datum melding bij CWI of
gemeente. Verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is geen
bijzondere omstandigheid voor bijstandverlening met
terugwerkende kracht. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer Centrale
Raad van Beroep 03/4207
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Ede,
gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. F.H. Barwegen, advocaat te Utrecht, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 juli
2003, reg.nr. 02/1429 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005, waar appellant
- met bericht vooraf - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door mr. A. Klok, werkzaam bij de gemeente
Ede.
II. Motivering
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Appellant woont sedert 9 mei 1998 in bij het gezin van zijn broer
[broer] op het adres [adres] te [woonplaats] en ontving tot en met 2
februari 2002 een bedrag van ƒ186,-
per week uit hoofde van de zogeheten zelf-zorg-arrangementregeling (ZZA).
Daarvoor verbleef hij in het AZC “de Leemkuil” te Wageningen. Bij
besluit van 23 oktober 2001 is aan appellant met ingang van 2 juni 2000
een verblijfsvergunning regulier verleend tot 2 juni 2005. Op 9 januari
2002 heeft appellant zich gemeld bij de lokale vestiging van de Centrale organisatie werk en
inkomen (hierna: het CWI) met een verzoek om bijstand. Bij besluit
van 19 februari 2002 heeft gedaagde aan appellant een uitkering
ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm van een
alleenstaande met een toeslag van 10% van het minimumloon
[zie normbedragen Wwb, red.].
Bij besluit van 21 juni 2002 heeft gedaagde het door appellant gemaakte
bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de ingangsdatum van de
uitkering nader bepaald op 9 januari 2002.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank
het tegen het besluit van 21 juni 2002 ingestelde beroep ongegrond
verklaard. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat niet is
gebleken dat appellant al eerder dan op de meldingsdatum bij het CWI
een aanvraag om bijstand bij gedaagde heeft ingediend en dat evenmin is
gebleken dat appellant vóór die datum buiten staat was een dergelijke
aanvraag te doen.
Appellant heeft in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank
gemotiveerd bestreden. Hij heeft daarbij gesteld dat hem met
terugwerkende kracht tot 2 juni 2000 (dit is de datum met ingang waarvan
hem alsnog een verblijfsvergunning is verleend) een bijstandsuitkering
had dienen te worden toegekend.
De Raad
komt tot de
volgende beoordeling.
Als gevolg van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(Wet SUWI) zijn bij Wet van 29 november 2001, Stb.
2001, 625, onder meer de artikelen 63a
en 68a
van de Abw ingevoegd. Deze artikelen zijn
op 1 januari 2002 in werking getreden.
In artikel 63a, eerste lid, van de Abw
is de hoofdregel opgenomen dat een aanvraag om algemene bijstand bij het CWI
wordt ingediend en dat deze na overdracht verder door burgemeester en
wethouders wordt behandeld. In de drie volgende leden van het artikel
zijn voorts uitzonderingen op de hoofdregel (tweede lid) en
afwijkingsmogelijkheden (derde en vierde lid) vermeld.
In artikel 63a, eerste lid, van de Abw
is geregeld dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van melding,
tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Het tweede lid
bepaalt voorts wanneer van een melding bij het CWI
of bij burgemeester en wethouders kan worden gesproken, terwijl het
derde lid de mogelijkheid biedt om bij verwijtbaar latere indiening van
de aanvraag de aanvraagdatum als ingangsdatum te nemen om te voorkomen
dat er te veel tijd verstrijkt tussen de melding en de aanvraag.
Ingevolge artikel 2.3, derde lid, van
het
Besluit SUWI (KB van 20 december 2001, Stb.
2001, 688) wordt bij de melding, bedoeld in artikel
63a, tweede lid, van de Abw,
door het
CWI
met de belanghebbende een
afspraak gemaakt voor een gesprek waarin de aanvraag in ontvangst wordt
genomen. Door het CWI wordt bevorderd dat het gesprek op een zo kort
mogelijke termijn na de melding plaatsheeft.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de
artikelen
63a en 68a van de Abw
valt op te maken dat de wetgever met de invoering van de Wet
SUWI voor ogen stond dat uitkeringsgerechtigden zich in eerste instantie
dienen te melden bij het
CWI, waarna het CWI de benodigde gegevens
verzamelt en de afstand van betrokkene tot de arbeidsmarkt bepaalt. Wat
bijstandsgerechtigden betreft, heeft de wetgever voorts beoogd een efficiënte
taakverdeling in het leven te roepen tussen het CWI en de gemeentelijke
instelling belast met de uitvoering van de Abw, met dien verstande dat
de uitkeringsintake bij aanvragen om algemene bijstand als regel door
het CWI wordt gedaan, waarna de zaak binnen een termijn van in beginsel
acht werkdagen wordt overgedragen en de beoordeling van het recht op
bijstand plaatsvindt door burgemeester en wethouders.
Uit de toelichting op artikel 2.3 van het
Besluit SUWI blijkt voorts dat
de daar bedoelde afspraak wordt gemaakt om elke onduidelijkheid over het
moment waarop de bijstandsuitkering wordt aangevraagd weg te nemen.
Naar vaste rechtspraak van de Raad
inzake toepassing van artikel 67 van
de Abw wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode
voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van
dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden
dat rechtvaardigen.
De Raad
ziet na de inwerkingtreding van artikel
63a van de Abw geen
grond daarover wezenlijk anders te oordelen, zij het dat voor
aanvraagdatum tevens meldingsdatum dient te worden gelezen. Daartoe
overweegt de Raad dat in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten zijn
te vinden die erop wijzen dat met genoemd artikel is beoogd de
mogelijkheid om met terugwerkende kracht bijstand toe te kennen (anders
dan voorheen) in absolute zin te begrenzen, met dien verstande dat ook
niet bij bijzondere omstandigheden bijstand kan worden verleend over
een periode voorafgaand aan de meldingsdatum bij het CWI
of de
bijstandverlenende instantie. De Raad ziet daarentegen in het samenstel
van genoemde bepalingen, en de daarop gegeven toelichting, veeleer de
bedoeling van de wetgever tot uitdrukking komen om een duidelijke datum
te markeren met ingang waarvan in ieder geval uitkering kan worden
verstrekt indien overigens aan de voorwaarden voor het recht op bijstand
is voldaan.
Het voorgaande betekent dat naar het oordeel van de Raad, ook in het
geval er sprake is van een geregistreerde meldingsdatum, de gevraagde
bijstand met ingang van een datum voorafgaand aan die meldingsdatum kan
worden toegekend indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de Raad
staat vast, dat
appellant zich op 9 januari 2002 voor de eerste maal bij het CWI
heeft
gemeld.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of gedaagde in het gegeven dat
appellant met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning is verleend
aanleiding had moeten vinden hem met ingang van die datum (dat is: 2
juni 2000) met terugwerkende kracht een bijstandsuitkering toe te
kennen.
Naar het oordeel van de Raad
dient deze
vraag ontkennend te worden beantwoord. Naar vaste rechtspraak van de
Raad is het enkele feit dat een verblijfsvergunning met terugwerkende
kracht wordt verleend geen bijzondere omstandigheid die het vervroegen
van de ingangsdatum van de bijstand kan rechtvaardigen. De Raad ziet
daartoe in dit geval te minder aanleiding nu niet is gesteld of gebleken
dat appellant voordien niet in de noodzakelijke bestaanskosten heeft
voorzien of aantoonbare schulden heeft moeten maken. Het door appellant
gedane beroep op de uitspraak van de Raad van 19 juni 2001 faalt reeds
omdat in dat geval, anders dan hier, sprake was van een eerder
ingediende aanvraag en uit die uitspraak voorts slechts kan worden
afgeleid dat achteraf bezien vanaf de datum waarop een
verblijfsvergunning werd verleend de ROA geen toereikende en passende
voorliggende voorziening (meer) vormde.
Het voorgaande leidt de Raad
tot de slotsom dat gedaagde de ingangsdatum
op goede gronden op 9 januari 2002 heeft gesteld.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad
ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van M.
Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2005.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) M. Pijper.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AT0233 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummers: |
02/3098
NABW en 02/3099 NABW |
| Datum
uitspraak: |
8
maart 2005 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
14, 14a,
65, 69 en 81
Abw
(= 17,
18, –,
54 en 58
Wwb)
/
8
en 17 Wwb |
| Trefwoorden: |
vermogen;
auto; schending inlichtingenverplichting; intrekking bijstand; beëindiging; terugvordering;
wettelijke rente en kosten; boete |
| Essentie: |
Terechte
intrekking, beëindiging en terugvordering (plus rente en
kosten) van de bijstand wegens (verzwegen) bezit van een auto
met een waarde boven de vermogensgrens. Boete wegens
schending inlichtingenverplichting. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer Centrale
Raad van Beroep 02/3098 NABW en 02/3099 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Tilburg,
gedaagde.
I.
Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. W.J.C. Piet, advocaat te Tilburg, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 april
2002, reg.nrs. 01/1125 NABW en 01/1151 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, nadere stukken ingezonden
en een vraag beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Piet, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach, werkzaam
bij de gemeente Tilburg.
II. Motivering
Voor een overzicht van de in geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad
naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat met het volgende.
Appellant ontving van gedaagde een uitkering krachtens de
Algemene bijstandswet
(Abw) naar de norm voor een alleenstaande.
Naar aanleiding van een waarneming dat appellant gebruik maakte van een
auto van het merk Mercedes heeft het Bureau Fraudebestrijding van de gemeente
Tilburg een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de
aan appellant verleende bijstand. In dat kader is de Rijksdienst voor
het Wegverkeer en Stad Rotterdam Verzekeringen om inlichtingen verzocht,
is appellant gehoord en zijn twee getuigen verhoord. De bevindingen van
dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 19 april 2001.
De onderzoeksresultaten waren voor gedaagde aanleiding om bij besluit
van 17 april 2001 het recht op bijstand over de periode van 26 september
2000 tot en met 31 maart 2001 in te trekken, de over die periode
gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van ƒ10.576,54 van
appellant terug te vorderen en hem een boete op te leggen van ƒ1075,-
(zijnde 10% van het benadelingsbedrag, naar boven afgerond op een
veelvoud van ƒ25,-). Bij besluit van 23 april 2001 heeft gedaagde de
bijstandsuitkering van appellant met ingang van 1 april 2001 beëindigd.
Aan deze besluiten heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat appellant ten
tijde hier van belang, zonder daarvan aan gedaagde melding te hebben
gemaakt, in het bezit was van een auto van het merk Mercedes die hij had
aangeschaft voor een bedrag van ƒ50.000,- en derhalve beschikte over
een vermogen dat de grens van het voor hem vrij te laten vermogen
ruimschoots overtrof.
Bij besluiten van 17 mei 2001 respectievelijk 28 juni 2001 heeft
gedaagde de bezwaren tegen de besluiten van 17 april 2001 en 23 april
2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de
besluiten van 17 mei 2001 en 28 juni 2001 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij
voert aan dat de auto ten tijde hier van belang niet tot zijn vermogen
kon worden gerekend.
De Raad
komt tot de volgende beoordeling.
Intrekking
Met de rechtbank en gedaagde is de Raad
van oordeel dat het rapport van
het Bureau Fraudebestrijding van 19 april 2001 met bijlagen een
toereikende grondslag biedt voor de conclusie dat appellant gedurende de
periode van 26 september 2000 tot en met 31 maart 2001 beschikte over
een auto van het merk Mercedes met een waarde die het voor appellant
geldende vrij te laten vermogen overtrof. De Raad hecht in dit verband
in het bijzonder betekenis aan de omstandigheid dat deze auto blijkens
een rekening van autobedrijf [naam bedrijf] op 26 september 2000 voor ƒ50.000,- is gekocht voor rekening van appellant, dat de auto bij de
Rijksdienst voor het Wegverkeer van 13 oktober 2000 tot 17 oktober 2000
en van 12 januari 2001 tot 19 januari 2001 op naam van appellant stond
geregistreerd en vanaf 3 november 2000 op naam van appellant was
verzekerd en dat appellant volgens zijn eigen verklaring regelmatig in
deze auto heeft gereden. Hetgeen gedaagde in hoger beroep heeft
aangevoerd ter ondersteuning van zijn standpunt dat de auto niet tot
zijn vermogen behoorde, bevat in vergelijking met zijn grieven in eerste
aanleg, geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten en leidt de Raad niet tot
een ander oordeel.
Door van dit vermogen aan gedaagde geen mededeling te doen, heeft
appellant gehandeld in strijd met de ingevolge artikel
65, eerste lid,
van de Abw, op hem rustende inlichtingenverplichting, als gevolg waarvan
gedaagde aan hem ten onrechte bijstand heeft verleend over de hier in
geding zijnde periode. Gedaagde was dan ook gehouden het recht op
bijstand van appellant over deze periode in te trekken op grond van
artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Van dringende
redenen op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn om geheel of
gedeeltelijk van intrekking af te zien, is de Raad
niet gebleken.
Terugvordering
Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden
voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de
Abw, zodat gedaagde
gehouden was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over
de periode van 26 september 2000 tot en met 31 maart 2001. Van dringende
redenen om van gehele of gedeeltelijke terugvordering af te zien is de Raad
evenmin gebleken.
Beëindiging
Hiervoor is geoordeeld dat de Mercedes van 26 september 2000 tot en met
31 maart 2001 tot het vermogen van appellant diende te worden gerekend
en dat appellant vanwege de waarde van de Mercedes geen recht op
bijstand had. Niet is gebleken dat appellant op 1 april 2001 niet langer
over deze auto beschikte. Gedaagde heeft de bijstandsuitkering van
appellant derhalve terecht met ingang van 1 april 2001 beëindigd.
Boete
Hiervoor is vastgesteld dat appellant de in artikel
65, eerste lid, van
de Abw, neergelegde inlichtingenverplichting niet is nagekomen als
gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend. De Raad
ziet geen
grond om te oordelen dat elke verwijtbaarheid ten aanzien van de
schending van de inlichtingenverplichting ontbreekt en dat gedaagde
daarom toepassing had moeten geven aan artikel 14, tweede lid, tweede
volzin, van de Abw. Gelet hierop was gedaagde gehouden appellant een
boete als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de
Abw
op te leggen.
Gedaagde heeft de hoogte van de boete overeenkomstig de bepalingen van
het Boetebesluit socialezekerheidswetten vastgesteld op €|1075,-.
De opgelegde boete is aan te merken als een straf in de zin van het
Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
Artikel 15, eerste lid, derde volzin, van dat verdrag bepaalt dat,
indien na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de
oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te
profiteren.
Ten tijde van de behandeling van het hoger beroep is de Abw
ingetrokken
en is de Wet werk en bijstand (Wwb) in werking getreden. De
Wwb voorziet
niet langer in de mogelijkheid van het opleggen van een boete, zoals
voorheen geregeld in artikel 14a van de
Abw.
De gemeenteraad van Tilburg heeft inmiddels de in
artikel 8, eerste lid,
aanhef en onder b, van de Wwb
bedoelde Afstemmingsverordening Wet werk
en bijstand (hierna: de Afstemmingsverordening) vastgesteld.
Artikel 18, tweede lid, van de Wwb
bepaalt, voor zover hier van belang,
dat het college van burgemeester en wethouders de bijstand verlaagt
overeenkomstig evengenoemde verordening indien de belanghebbende de uit
deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Eén
van deze verplichtingen is de in artikel 17, eerste lid, van de
Wwb
omschreven inlichtingenverplichting.
Artikel 7, tweede lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat de
hoogte van de maatregel in geval van schending van de
inlichtingenverplichting 10% van het brutofraudebedrag bedraagt. Bij
een reeds beëindigde uitkering of een te beëindigen uitkering bestaat
de maatregel uit de wettelijk verschuldigde rente over het fraudebedrag
en administratiekosten, hetgeen neerkomt op 15% van het fraudebedrag met
een maximum van €|750,-.
Derhalve kan niet worden gezegd dat de bepalingen van de
Afstemmingsverordering met betrekking tot de hoogte van de sanctie
voorzien in een lagere sanctie dan de bij het besluit van 28 juni 2001
gehandhaafde boete.
Van feiten of omstandigheden die aanleiding geven om de boete met
toepassing van artikel artikel 14a, tweede lid, eerste volzin, van de
Abw op
een ander bedrag vast te stellen, is de Raad
niet gebleken. Evenmin is
gebleken van dringende redenen op grond van artikel
14a, vierde lid, van
de Abw, op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid toekwam om van het
opleggen van een boete af te zien.
Slotoverwegingen
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De
aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.
De Raad
ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. Beslissing
De
Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van M.
Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2005.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) M. Pijper.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AT0236 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummers: |
02/3528
NABW, 02/3529 NABW, 03/3192 NABW en 03/3193 NABW |
| Datum
uitspraak: |
8
maart 2005 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
art. 3 Abw (= 3
Wwb) |
| Trefwoorden: |
gezamenlijke huishouding; samenwoning; onderhoudsplichtige; beëindiging bijstand;
herhaalde aanvraag; nieuwe feiten of omstandigheden;
duurzaam gescheiden; fraude |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging van de bijstand wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding en
voldoende middelen. Onterechte afwijzing van bijstand na
verbreking van de samenwoning. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer Centrale
Raad van Beroep 02/3528 NABW,
02/3529 NABW, 03/3192 NABW en 03/3193 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Den Haag, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Met ingang van 1 januari 2004 heeft appellant het besluit tot
delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op
bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze
uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan de Commissie
Sociale Zekerheid.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank ’s-Gravenhage van 30 mei 2002, reg.nrs. 01/00841 ABW
en 01/00856 ABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005, waar
namens appellant is verschenen mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij
de gemeente Den Haag, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. J.G.P. de Wit, advocaat te Amsterdam.
II. Motivering
De Raad
gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden.
Gedaagde ontving een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet
(Abw) laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande op de grond
dat zij duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot [echtgenoot]
(hierna: [echtgenoot]).
Naar aanleiding van bij appellant binnengekomen informatie is het
vermoeden gerezen dat gedaagde niet (langer) duurzaam gescheiden
leeft van haar echtgenoot. Appellant heeft een onderzoek ingesteld
naar de rechtmatigheid van de aan gedaagde verstrekte uitkering.
In dat kader is onder meer een administratief onderzoek ingesteld
en zijn huisbezoeken afgelegd. Uit het administratief onderzoek is
naar voren gekomen dat de contracten voor levering van water en
energie voor de woning van gedaagde aan de [adres] op naam van
[echtgenoot] zijn gesteld. Het water- en energieverbruik in deze
woning komt in de jaren 1997-1999 overeen met een gemiddeld
verbruik van een twee- tot driepersoonshuishouden. Tijdens een op
24 januari 2000 afgelegd onaangekondigd huisbezoek op de [adres]
betrad [echtgenoot] de woning met een eigen sleutel en is zijn
kleding in de woning aangetroffen. Bij een eveneens op 24 januari
2000 afgelegd huisbezoek aan de [adres 2], het adres waar
[echtgenoot] stelde te wonen, bleken in deze vierkamerwoning de
dochter van gedaagde, de zoon van [echtgenoot] en hun drie
kinderen woonachtig. In de door [echtgenoot] als zijn slaapkamer
aangewezen kamer zijn geen persoonlijke bezittingen van hem
aangetroffen, maar wel kinderkleding en speelgoed.
Bij besluit van 8 februari 2000 heeft appellant de uitkering van
gedaagde met ingang van 1 februari 2000 beëindigd op de grond dat
zij een gezamenlijke huishouding voert met haar echtgenoot en
geacht wordt over voldoende middelen te beschikken om zelf in de
kosten van het bestaan te voorzien.
Bij besluit van 12 januari 2001 heeft appellant de bezwaren tegen
het besluit van 8 februari 2000 ongegrond verklaard. Bij uitspraak
van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 mei 2002,
reg.nrs.
01/00854 ABW en 01/00855 ABW, is onder meer het besluit van 12
januari 2001 vernietigd op de grond dat appellant eraan voorbij
heeft gezien dat gedaagde en [echtgenoot] in de hier van belang
zijnde periode gehuwd waren en dat de vraag of in hun geval sprake
was van een gezamenlijke huishouding, gelet op hun huwelijkse
staat, niet van belang is voor de beoordeling van het besluit om
tot beëindiging van de uitkering van gedaagde over te gaan. De
rechtbank heeft de rechtsgevolgen niet in stand gelaten.
Bij uitspraak van heden in de zaken met reg.nrs. 02/3594 NABW,
02/3597 NABW, 03/3190 NABW en 03/3191 NABW [zie LJN
AT0237, red.] heeft de Raad
de
uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2002 vernietigd en onder
meer het besluit van 12 januari 2001 waarbij de beëindiging van
de bijstandsuitkering werd gehandhaafd vernietigd, maar de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.
Hiermee staat de beëindiging van het recht op bijstand van
gedaagde per 1 februari 2000 in rechte vast.
Op 16 februari 2000 heeft gedaagde opnieuw een uitkering ingevolge
de Abw
aangevraagd. Daarbij heeft gedaagde aangegeven dat de
kleding van [echtgenoot] zich niet meer in haar woning bevindt,
dat [echtgenoot] zijn sleutel heeft ingeleverd en nog steeds
woonachtig is aan de [adres 2]. Voorts heeft gedaagde aangegeven
dat het contract met Eneco inmiddels op haar naam is gesteld en
dat de omzetting van de huurovereenkomst en de overeenkomst met
Duinwaterleiding in gang is gezet.
Bij besluit van 23 februari 2000 heeft appellant de aanvraag
afgewezen op de grond dat zich na 8 februari 2000 geen nieuwe
omstandigheden hebben voorgedaan die een andere beslissing
rechtvaardigen.
Op 8 maart 2000 heeft gedaagde opnieuw een uitkering op grond van
de Abw
aangevraagd.
Bij besluit van 19 april 2000 heeft gedaagde ook deze aanvraag
afgewezen op de grond dat zich na de beslissing van 8 februari
2000 geen nieuwe omstandigheden hebben voorgedaan die een andere
beslissing rechtvaardigen.
Bij afzonderlijke besluiten van 12 januari 2001 heeft gedaagde de
bezwaren tegen de besluiten van 23 februari 2000 en 19 april 2000
ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank
het beroep tegen
de besluiten van 12 januari 2001 gegrond verklaard. Daarbij heeft
de rechtbank verwezen naar haar uitspraak van dezelfde datum
waarbij het beroep van gedaagde tegen de beëindiging en de
intrekking van haar bijstandsuitkering gegrond is verklaard (zaken
01/00854 ABW en 01/00855 ABW). In aansluiting op deze uitspraak
heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde aannemelijk heeft
gemaakt dat zij duurzaam gescheiden van [echtgenoot] leeft, zodat
zij aan de vereisten voldoet om voor een bijstandsuitkering in
aanmerking te komen.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze
uitspraak gekeerd.
Hangende het hoger beroep heeft appellant naar aanleiding van de
uitspraak van de rechtbank
bij besluit van 13 september 2002 de
bezwaren van gedaagde opnieuw ongegrond verklaard
De Raad
komt tot de volgende beoordeling.
Naar vaste rechtspraak van de Raad
ligt het in een
geval waarin
een nieuwe aanvraag voorligt na een eerdere beëindiging van
bijstandverlening of een eerdere afwijzing van een
bijstandsaanvraag in het algemeen op de weg van de aanvrager om
aan te tonen dat zich sedert die beëindiging of afwijzing een
relevante wijziging in omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin
dat deze thans wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in
aanmerking te komen.
In het licht van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden
die voor appellant redengevend zijn geweest voor de beëindiging
van de bijstandsuitkering van gedaagde, heeft gedaagde naar het
oordeel van de Raad
aan voornoemde maatstaf voldaan. Reeds bij de
eerste aanvraag heeft gedaagde aannemelijk gemaakt dat haar
omstandigheden zijn gewijzigd in de zin dat het contract voor de
levering van energie op haar naam is gesteld en zij voorts doende
is het huurcontract en de overeenkomst tot waterlevering op haar
naam te stellen. Voorts heeft zij aangegeven dat de kleding van
[echtgenoot] zich niet meer in haar woning bevindt en hij zijn
sleutel heeft ingeleverd. Ten tijde van de afhandeling van de
tweede aanvraag heeft gedaagde door middel van nadere stukken
aangetoond dat de huurovereenkomst op haar naam zal worden
overgeschreven en dat de tenaamstelling van de overeenkomst met
Duinwaterleiding is aangepast. In het kader van de behandeling van
de aanvraag van 8 maart 2000 heeft appellant op 24 maart 2000
voorts een onaangekondigd huisbezoek afgelegd op het adres van
gedaagde aan de [adres] waarbij noch [echtgenoot], noch zijn
kleding is aangetroffen. Ook overigens zijn geen bijzonderheden
waargenomen.
De Raad
stelt vast dat
gedaagde op basis van de gewijzigde
omstandigheden in beginsel voldoet aan de vereisten om voor een
bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande in
aanmerking te komen. Indien appellant desalniettemin twijfelde of
de situatie van gedaagde daadwerkelijk was gewijzigd, lag het op
de weg van appellant ter zake nader onderzoek te doen. Appellant
heeft de hem ten dienste staande mogelijkheden om naar aanleiding
van de door gedaagde opgegeven relevante wijzigingen nader
onderzoek te doen naar haar woon- en leefsituatie echter onbenut
gelaten.
Uit voorgaande volgt dat de bestreden besluiten waarbij
gehandhaafd zijn de besluiten waarbij de aanvragen van gedaagde
zijn afgewezen op de grond dat geen sprake is van een relevante
wijziging in omstandigheden na een eerdere beëindiging, wegens
een ontoereikende feitelijke grondslag voor vernietiging in
aanmerking komen.
Hieruit volgt tevens dat de aangevallen uitspraak, zij het op
geheel andere gronden, zal worden bevestigd.
Gezien het feit dat aan het door appellant naar aanleiding van de
uitspraak van de rechtbank
genomen besluit van 13 september 2002
dezelfde gebreken kleven als aan de besluiten van 12 januari 2001
komt het de Raad
geraden voor ook dat nadere besluit te
vernietigen.
De Raad
ziet ten slotte aanleiding om appellant te veroordelen in
de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden
begroot op €|644,- voor verleende rechtsbijstand.
III. Beslissing
De
Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak;
veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een
bedrag van €|644,- te betalen door de
gemeente Den Haag aan de griffier van de
Raad;
bepaalt dat van de gemeente Den Haag een griffierecht van €|409,- wordt geheven.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J.
van der Ham en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid
van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 8 maart 2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum
van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding en het begrip duurzaam gescheiden leven.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AT0237 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummers: |
02/3594
NABW, 02/3597 NABW, 03/3190 NABW en 03/3191 NABW |
| Datum
uitspraak: |
8
maart 2003 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
3,
65, 69 en 81
Abw (= 3,
17, 54
en 58 Wwb) |
| Trefwoorden: |
gezamenlijke
huishouding; samenwoning; onderhoudsplichtige; schending
inlichtingenverplichting; beëindiging bijstand;
intrekking; terugvordering; duurzaam gescheiden; fraude |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging, intrekking en terugvordering van de bijstand wegens
(verzwegen) gezamenlijke huishouding met een onderhoudsplichtige. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer Centrale
Raad van Beroep 02/3594 NABW,
02/3597 NABW, 03/3190 NABW en 03/3191 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Den Haag, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Met ingang van 1 januari 2004 heeft appellant het besluit tot
delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op
bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze
uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan de Commissie
Sociale Zekerheid.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank ’s-Gravenhage van 30 mei 2002, reg.nrs. 01/00854 ABW
en 01/00855 ABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005, waar
namens appellant is verschenen mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij
de gemeente Den Haag, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. J.G.P. de Wit, advocaat te Amsterdam.
II. Motivering
De Raad
gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden [zie ook LJN
AT0236, red.].
Gedaagde ontving een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet
(Abw) laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande.
Naar aanleiding van bij appellant binnengekomen informatie is het
vermoeden gerezen dat gedaagde niet (langer) duurzaam gescheiden
leeft van haar echtgenoot. Appellant heeft een onderzoek ingesteld
naar de rechtmatigheid van de aan gedaagde verstrekte uitkering.
In dat kader is onder meer een administratief onderzoek ingesteld
en zijn huisbezoeken afgelegd. Op basis van de resultaten van dit
onderzoek heeft appellant geconcludeerd dat gedaagde op haar adres
aan de [adres] te ’s- Gravenhage een gezamenlijke huishouding
voert met haar echtgenoot [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot]).
Bij besluit van 8 februari 2000 heeft appellant de uitkering van
gedaagde met ingang van 1 februari 2000 beëindigd op de grond dat
zij een gezamenlijke huishouding voert met [echtgenoot]. Bij
besluit van 10 juli 2000 heeft appellant het recht op bijstand van
gedaagde over de periode van 24 januari 2000 tot en met 31 januari
2000 op dezelfde grond ingetrokken en de gemaakte kosten van
bijstand tot een bedrag van ƒ346,34 van haar teruggevorderd.
Bij afzonderlijke besluiten van 12 januari 2001 heeft appellant de
bezwaren tegen de besluiten van 8 februari 2000 en 10 juli 2000
ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de besluiten van
12 januari 2001 vernietigd op de grond dat appellant bij de beëindiging
en de intrekking van het recht op bijstand ten onrechte van belang
heeft geacht de vraag of sprake was van een gezamenlijke
huishouding. Daarbij is overwogen dat, nu gedaagde en [echtgenoot]
gehuwd zijn, aan de orde is de vraag of gedaagde als ongehuwd kan
worden aangemerkt wegens het feit dat zij duurzaam gescheiden
leeft van [echtgenoot].
Op basis van hetgeen gedaagde heeft aangevoerd en de ter zitting
van de rechtbank afgelegde getuigenverklaringen is de rechtbank
tot het oordeel gekomen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde
besluiten niet in stand kunnen blijven. Ten slotte zijn
beslissingen gegeven ter zake van proceskosten en griffierecht.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze
uitspraak gekeerd.
Hangende het hoger beroep heeft appellant naar aanleiding van de
uitspraak van de rechtbank bij besluit van 13 september 2002 de
bezwaren van gedaagde opnieuw ongegrond verklaard.
De Raad
komt tot de volgende beoordeling.
De Raad
stelt voorop dat hij met de
rechtbank van oordeel is dat
appellant de beëindiging en intrekking van het recht op bijstand
van gedaagde ten onrechte heeft gebaseerd op artikel
3, tweede
lid, aanhef en onder a, van de
Abw. Gedaagde en [echtgenoot] zijn
gehuwd, zodat aan de orde is de vraag of zij al dan niet duurzaam
gescheiden leefden in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en
onder b, van de
Abw. De rechtbank heeft bestreden besluiten
derhalve terecht vernietigd.
De Raad
is evenwel anders dan de
rechtbank
van oordeel dat de
rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand dienen te
blijven, aangezien hij de onderzoeksbevindingen van appellant wel
toereikend acht voor de conclusie dat gedaagde ten tijde in geding
niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot.
De
Raad
kent daarbij betekenis toe aan de volgende omstandigheden
in onderlinge samenhang bezien. Ondanks dat de echtelijke
samenleving met [echtgenoot] volgens gedaagde sinds 1992 is
verbroken zijn de huurovereenkomst voor de woning van gedaagde en
de overeenkomsten tot levering van gas, water en elektra ten tijde
in geding nog mede op naam van [echtgenoot] gesteld. Het water- en
energieverbruik in die woning komt in de jaren 1997-1999 overeen
met een gemiddeld verbruik van een twee- tot
driepersoonshuishouden. Tijdens een door medewerkers van de Dienst
Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 24 januari 2000 afgelegd
onaangekondigd huisbezoek aan de [adres] betrad [echtgenoot] de
woning met een eigen sleutel en is zijn kleding in de woning
aangetroffen.
Bij een eveneens op 24 januari 2000 afgelegd huisbezoek aan de
[adres 2], het adres waar [echtgenoot] stelt te wonen, bleken in
deze vierkamerwoning de dochter van gedaagde, de zoon van
[echtgenoot] en hun drie kinderen woonachtig. In de door
[echtgenoot] als zijn slaapkamer aangewezen kamer zijn geen
persoonlijke bezittingen van hem aangetroffen, maar wel
kinderkleding en speelgoed.
Gedaagde heeft aangevoerd dat de kleding van [echtgenoot] in haar
woning aanwezig is omdat daarvoor op de [adres 2] geen plaats is.
Ook is aangevoerd dat de oudste zoon van haar dochter nagenoeg de
gehele week bij gedaagde, zijn oma, slaapt, waardoor er voor
[echtgenoot] in de woning aan de [adres 2] een slaapkamer
beschikbaar is. Gedaagde heeft de door haar gegeven lezing van de
feiten ter zitting van de
rechtbank
door verklaringen van twee van
haar dochters doen bevestigen.
De Raad
acht de geschetste gang van zaken niet geloofwaardig met
name daar waar de kleding van zowel [echtgenoot] als de oudste
zoon van de dochter van gedaagde zich juist op het andere adres
bevindt dan waar zij zouden verblijven. In het licht van de
overige bovengenoemde omstandigheden kan de Raad aan de door de
dochters afgelegde verklaringen dan ook niet de door gedaagde
gewenste betekenis toekennen.
Nu gedaagde ten tijde in geding niet kan worden aangemerkt als
ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder
b,
van de Abw
kan zij niet worden beschouwd als zelfstandig subject
van bijstand en had zij derhalve geen recht op uitkering naar de
norm voor een alleenstaande.
Gedaagde heeft aan appellant geen mededeling gedaan van het feit
dat zij niet (langer) duurzaam gescheiden van haar echtgenoot
leefde. Zij heeft derhalve de ingevolge artikel
65, eerste lid,
van de Abw
op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.
In het voorgaande ligt besloten dat appellant het recht op
bijstand van gedaagde terecht heeft beëindigd en voorts gehouden
was met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder
a,
van de Abw
tot intrekking van het recht op bijstand over te gaan.
Van dringende redenen om van de intrekking af te zien is de Raad
niet gebleken.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de
voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de
Abw,
zodat appellant gehouden was tot terugvordering van de gemaakte
kosten van bijstand over de periode van 24 januari 2000 tot en met
31 januari 2000 over te gaan. Van dringende redenen om geheel of
gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is de Raad
niet
gebleken.
Uit het voorgaande volgt dat de
rechtbank
ten onrechte de
rechtsgevolgen van de door haar vernietigde besluiten niet in
stand heeft gelaten, zodat het hoger beroep slaagt. Om redenen van
duidelijkheid zal de Raad
de aangevallen uitspraak in zijn geheel
vernietigen, met uitzondering van hetgeen daarin is bepaald met
betrekking tot proceskosten en griffierecht.
Als gevolg van de vernietiging van de aangevallen uitspraak is aan
het besluit van 13 september 2002 dat appellant naar aanleiding
van de uitspraak heeft genomen de rechtsgrond komen te ontvallen.
Het komt de Raad
daarom geraden voor ook dat nadere besluit te
vernietigen.
De Raad
ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in
de proceskosten.
III. Beslissing
De
Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van hetgeen
daarin is bepaald omtrent griffierecht en proceskosten;
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de besluiten van 12 januari 2001;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 12
januari 2001 in stand blijven;
vernietigt het besluit van 13 september 2002.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J.
van der Ham en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid
van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 8 maart 2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum
van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH
Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing
van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding en het
begrip duurzaam gescheiden leven.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AT0309 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummers: |
02/4343
NABW en 02/4894 NABW |
| Datum
uitspraak: |
23
februari 2005 |
| Soort
procedure: |
herziening |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
39 Abw (= 35
Wwb) / 8:88
Awb |
| Trefwoorden: |
herzieningsverzoek;
revisie; uitspraken hoger beroep; nieuwe feiten of omstandigheden |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing verzoek om herziening uitspraken hoger beroep, omdat
geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer Centrale
Raad van Beroep 02/4343 NABW
en 02/4894 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Tilburg, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van de gedingen
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraken van de Raad
van
13 augustus 2002, reg.nrs. 99/2931 NABW en 99/4468 NABW.
Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.
De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 12 januari
2005, waar verzoeker niet is verschenen en gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij
de gemeente Tilburg.
II. Motivering
Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in
samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan de
Raad
op verzoek
van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op
grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet
bekend waren en
redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en
c. waren zij bij de Raad
eerder bekend geweest, tot een andere
uitspraak zouden
hebben kunnen leiden.
Bij de uitspraak met reg.nr. 99/2931 NABW heeft de Raad
de in
hoger beroep door verzoeker aangevallen uitspraak van de rechtbank
Breda van 21 april 1999 inzake de weigering door gedaagde van
bijzondere bijstand voor woonkosten bevestigd voor zover
aangevochten.
Bij de uitspraak met reg.nr. 99/4468 NABW heeft de Raad
de in
hoger beroep door verzoeker aangevallen uitspraak van de rechtbank
Breda van 7 juli 1999 inzake de weigering door gedaagde van
bijzondere bijstand voor een bouwkundige offerte en voor de
opknapkosten van de woning van verzoeker eveneens bevestigd voor
zover aangevochten.
De Raad
stelt vast dat de gronden die verzoeker in zijn
(aanvullende) verzoekschriften tegen de uitspraken van 13 augustus
2002 heeft aangevoerd, niet kunnen worden aangemerkt als feiten of
omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88
van de Awb. De feiten
en omstandigheden waarop verzoeker zich beroept, dateren alle van vóór
die uitspraken en zijn in de procedures die tot de uitspraken
hebben geleid - materieel - ook aan de orde geweest. Er is
derhalve geen sprake van feiten of omstandigheden die bij
verzoeker vóór de uitspraken niet bekend waren.
Wat verzoeker met de verzoeken om herziening in wezen beoogt, is
het ter discussie stellen van de juistheid van de uitspraken van
13 augustus 2002. Daarvoor is het - bijzondere - rechtsmiddel van
herziening echter niet bedoeld.
De verzoeken om herziening dienen daarom te worden afgewezen.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad
geen
aanleiding.
III. Beslissing
De
Centrale Raad van
Beroep,
recht doende:
wijst de verzoeken om herziening af.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr.
H.J. de Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in
tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en
uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2005.
(get). Th.G.M. Simons.
(get). M.C.M. Hamer.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|