|
Uitspraak
98/1066
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 28 juni 1996 heeft gedaagde van appellante een bedrag ad
f 2.126,- teruggevorderd terzake van ten onrechte aan haar betaalde
kinderbijslag voor C over acht kwartalen.
Bij beslissing op bezwaar van 16 oktober 1996, het thans bestreden
besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 28 juni 1996 ongegrond
verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 24 december
1997 het tegen het besluit van 16 oktober 1996 ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. P.J. van ´t Hoff, werkzaam bij Stichting
Rechtsbijstand te Tilburg, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft, desgevraagd, bij
brief van 8 januari 1999, met bijlagen, nog enige vragen beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 oktober
1999, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van
´t Hoff, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr. J. Roose, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante is in of omstreeks oktober 1992 gaan samenwonen met D (hierna
te noemen: D). Voordien woonde D, met zijn dochter C, geboren in 1984,
bij een familielid te F, bij wie zijn dochter tot in de zomer van 1993
is blijven wonen.
Uit de relatie van appellante en D is in 1993 het kind E geboren. Op 24
juni 1993 heeft appellante een aanvraag om kinderbijslag voor E
ingediend. Op dit formulier is D als partner van appellante vermeld en
is de vraag of de partner al eerder kinderbijslag heeft ontvangen
bevestigend beantwoord.
Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 31 augustus 1993 met ingang
van het derde kwartaal van 1993 kinderbijslag aan appellante toegekend
voor C en E.
Bij brief van 4 januari 1996 heeft appellante aan gedaagde meegedeeld
dat de samenwoning met D was geëindigd en heeft zij verzocht alleen
kinderbijslag voor E aan haar toe te kennen. Gedaagde heeft vervolgens
een onderzoek ingesteld, waaruit is gebleken dat C in de zomer van 1993
naar de Nederlandse Antillen is verhuisd, alwaar zij sindsdien
verblijft, en dat D niet op eenvoudig te controleren wijze kan aantonen
vanaf het vierde kwartaal van 1993, met uitzondering van het vierde
kwartaal van 1994, in belangrijke mate te hebben bijgedragen in het
levensonderhoud van C.
Bij besluit van 28 juni 1996 heeft gedaagde aan D meegedeeld dat geen
aanspraak bestond op kinderbijslag voor C over het vierde kwartaal van
1993 tot en met het derde kwartaal van 1994 alsmede over het eerste tot
en met vierde kwartaal van 1995 en dat de helft van de ten onrechte
betaalde kinderbijslag over die kwartalen van hem wordt teruggevorderd.
Voorts heeft gedaagde bij het - in bezwaar gehandhaafde - besluit van
dezelfde datum van appellante eveneens de helft van de onverschuldigd
betaalde kinderbijslag ad f 2.126,- teruggevorderd. De rechtbank heeft
dit besluit in stand gelaten.
In hoger beroep is namens appellante onder meer aangevoerd dat zij geen
aanspraak heeft gemaakt op kinderbijslag voor C en dat niet door haar
toedoen ten onrechte kinderbijslag is betaald. Ter zitting is namens
gedaagde erkend dat ten onrechte kinderbijslag ten behoeve van C aan
appellante is toegekend en uitbetaald.
De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat gedaagde
over de hiervoor genoemde kwartalen onverschuldigd kinderbijslag ten
behoeve van C heeft betaald. In geschil is of gedaagde bevoegd is de
teveel betaalde kinderbijslag - ten dele - van appellante terug te
vorderen.
Gedaagde heeft zijn bevoegdheid tot terugvordering gebaseerd op het
bepaalde in artikel 24, eerste lid, onder a, van de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW), zoals dat artikel luidde ten tijde hier van
belang. In dat artikellid is, kort samengevat, bepaald dat gedaagde,
gedurende een termijn van 5 jaar na betaalbaarstelling, bevoegd is tot
terugvordering van onverschuldigd betaalde kinderbijslag van degene aan
wie de betaling plaatsvond, indien zij door toedoen van degene die ten
onrechte aanspraak op kinderbijslag heeft gemaakt onverschuldigd heeft
betaald. Gedaagde is van oordeel dat door toedoen van appellante ten
onrechte kinderbijslag voor C is betaald.
De Raad kan dit standpunt niet onderschrijven en overweegt dienaangaande
het volgende. Allereerst wijst de Raad erop dat D vóór het derde
kwartaal van 1993, gedurende de samenwoning met appellante,
kinderbijslag heeft ontvangen voor C als thuiswonend kind. Kennelijk
heeft D toen niet aan gedaagde gemeld dat zijn dochter niet langer tot
zijn huishouden behoorde.
Na de geboorte van E heeft gedaagde aan appellante zowel voor E als C
kinderbijslag toegekend, kennelijk ervan uitgaande dat C als aangehuwd
kind van appellante aangemerkt kon worden en dat appellante in die
hoedanigheid ook aanspraak had op kinderbijslag voor C, zodat de
uitbetaling van de kinderbijslag op grond van artikel 18, tweede en
derde lid, van de AKW aan haar kon geschieden. Ter zitting is namens
gedaagde erkend dat appellante geen aanspraak had op kinderbijslag voor
C, aangezien C geen aangehuwd kind van haar was en C ook op grond van
het toen door gedaagde gehanteerde beleid niet als zodanig kon worden
aangemerkt.
Nu gedaagde ten onrechte ervan is uitgegaan dat appellante aanspraak had
op kinderbijslag voor C en de uitbetaling van de kinderbijslag, gelet op
het bepaalde in artikel 18, tweede en derde lid, van de AKW, ten
onrechte aan appellante is geschied, terwijl niet is gebleken dat een en
ander is te wijten aan het verstrekken van onjuiste gegevens door
appellante of het nalaten juiste gegevens te vermelden, kan naar 's
Raads oordeel niet gezegd worden dat door toedoen van appellante
onverschuldigd kinderbijslag is betaald. Het feit dat appellante na
ontvangst van het toekenningsbesluit van 31 augustus 1993 wellicht had
kunnen onderkennen dat ten onrechte kinderbijslag voor C aan haar werd
betaald heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De
betaling van kinderbijslag voor C betrof immers een voortzetting van een
al langer lopende periodieke betaling van kinderbijslag aan D, op de
grondslag waarvan appellante geen zodanig zicht kon hebben dat gezegd
kan worden dat de verdere betalingen door haar toedoen onverschuldigd
zijn geschied.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat gedaagde niet bevoegd
is tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde kinderbijslag van
appellante op grond van het bepaalde in artikel 24, eerste lid, onder a,
van de AKW. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak kunnen
derhalve niet in stand blijven.
Van de zijde van appellante is verzocht gedaagde op de voet van artikel
8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot
vergoeding van de schade die appellante ten gevolge van het bestreden
besluit heeft geleden. Nu met de vernietiging van het bestreden besluit
nog niet vaststaat dat appellante schade heeft geleden, dient die
vordering thans afgewezen te worden.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en
in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende
rechtsbijstand in beroep en f 1.420,- in hoger beroep.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad vast dat
gedaagde het griffierecht ad f 210,- aan appellante dient te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit;
Wijst
de vordering tot schadevergoeding af;
Veroordeelt gedaagde in de
proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag
groot f 2.840,-;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het gestorte recht
van f 210,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de Vries
en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van J.D.
Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 november
1999.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) J.D. Streefkerk.
|
|