|
Uitspraak
97/11369
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 24 juni 1996 heeft appellant een besluit genomen
betreffende gedaagdes aanspraak op kinderbijslag op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ingaande het derde kwartaal van 1996.
Bij het thans bestreden besluit van 17 oktober 1996 heeft appellant het
bezwaar tegen het eerstgenoemde besluit ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 17 oktober
1997 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op het
bezwaarschrift van gedaagde zal nemen.
Op de in hoger beroep aangevoerde gronden heeft appellant gevorderd dat
de Raad de uitspraak van de rechtbank zal vernietigen.
Namens gedaagde zijn stukken ingezonden en is een verweerschrift
ingediend.
Bij brief van 8 februari 1999 (met bijlagen) heeft appellant een vraag
van de Raad beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 22 september 1999.
Appellant is daar verschenen bij gemachtigde mr P.C.A. Buskens, werkzaam
bij de Sociale Verzekeringsbank. Gedaagde is in persoon verschenen,
bijgestaan door mr M.E.J. de Hart, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp
te Tilburg, als zijn raadsvrouw en door de tolk M. Abukhamseen.
II. MOTIVERING
Gedaagde is afkomstig uit Irak en is in september 1994 als vluchteling
naar Nederland gekomen. De zogeheten A-status is hem per 17 november
1994 verleend. Naar aanleiding van zijn daartoe strekkende verzoek,
ingediend in november 1994, heeft gedaagde op 8 juni 1995 toestemming
verkregen om zijn gezin, bestaande uit zijn vrouw en drie kinderen, naar
Nederland te laten overkomen. Appellant heeft gedaagde aanvankelijk
kinderbijslag toegekend, aannemende dat deze nog steeds een huishouden
vormde met zijn drie in Irak verblijvende kinderen.
Uit in mei 1996 ingewonnen informatie is appellant gebleken dat gedaagde
er nog steeds niet in was geslaagd zijn gezin naar Nederland te laten
komen. Bij besluit van 24 juni 1996, gehandhaafd bij het thans bestreden
besluit, heeft appellant gedaagde meegedeeld dat hij vanaf het derde
kwartaal van 1996 alleen recht heeft op kinderbijslag indien hij
aantoont dat hij zijn kinderen in belangrijke mate onderhoudt, aangezien
vanaf 1 juli 1996 niet meer wordt aangenomen dat hij een huishouden
vormt met zijn kinderen.
De rechtbank heeft geoordeeld, samengevat, dat aangezien gedaagde nog
steeds pogingen doet zijn gezin naar Nederland te laten komen en niet
gezegd kan worden dat er geen reëel uitzicht meer is op
gezinshereniging, ten tijde van het derde kwartaal van 1996 nog niet kon
worden gesproken van een breuk in het huishouden van gedaagde. Appellant
heeft dit oordeel bestreden.
De Raad overweegt allereerst dat hij, met de rechtbank, van oordeel is
dat het hierboven reeds als besluit aangemerkte schrijven d.d. 24 juni
1996 van appellant aan gedaagde, als een besluit in de zin van artikel
1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden aangemerkt. Van
belang acht de Raad in dat verband dat bij dat schrijven is gesteld dat
ingaande 1 juli 1996 de aanspraak op kinderbijslag op een andere
wetsbepaling dan voorheen (artikel 7, eerste lid, onder b, in plaats van
onder a, van de AKW) zal berusten en dat gedaagde daartoe aan andere
voorwaarden zal moeten voldoen, in het bijzonder de zogeheten
onderhoudseis. Daarmee staat vast dat de mededeling op rechtsgevolg is
gericht.
Ten gronde wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak, ingeleid door de
uitspraak gepubliceerd in RSV 1988/102, blijkens welke in omstandigheden
als de onderhavige, waarin een vluchteling onder achterlating van zijn
gezin in het land van herkomst naar Nederland komt met de intentie niet
terug te keren, een voorlopig blijvende breuk in diens huishouden moet
worden verondersteld aanwezig te zijn; te dien aanzien kan tot een
andere conclusie worden gekomen, indien de betrokkene aantoont dat hij
spoedig na zijn aankomst in Nederland de nodige, reële kansen biedende,
stappen tot gezinshereniging heeft ondernomen. Appellant heeft,
kennelijk vanaf het eerste kwartaal van 1995, aangenomen dat dit laatste
het geval was en derhalve kinderbijslag toegekend, ervan uitgaande dat
gedaagde nog immer een huishouden met zijn vrouw en kinderen vormde.
De Raad is, met appellant, van oordeel dat het begrip huishouden in de
AKW in beginsel doelt op een feitelijke toestand van gezamenlijk wonen
en dat de zojuist bedoelde jurisprudentie daarop een uitzondering maakt,
ingegeven door een door bijzondere omstandigheden gevergde redelijke
wetstoepassing. In dit uitzonderingskarakter ligt besloten dat het, in
zekere mate fictieve, voortbestaan van het huishouden geen permanente
toestand kan zijn; na verloop van tijd zal - opnieuw - moeten worden
getoetst of er nog voldoende grond is om aan te nemen dat er geen
daadwerkelijke breuk in het huishouden is opgetreden. Gegeven het feit
dat de gezinshereniging, ruim anderhalf jaar na de indiening van het
verzoek en ruim een jaar nadat daartoe toestemming was verleend, nog
niet had plaatsgevonden - en overigens nog steeds niet tot stand is
gekomen -, heeft appellant zich naar het oordeel van de Raad terecht op
het standpunt gesteld dat gedaagde vanaf het derde kwartaal van 1996
niet meer kon worden geacht een huishouden met zijn kinderen te vormen.
Het hoger beroep treft doel. De aangevallen uitspraak moet worden
vernietigd, onder ongegrondverklaring van het inleidende beroep. Er zijn
geen termen voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van
artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het in eerste aanleg ingestelde beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en
mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 1999.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|