|
Uitspraak
98/5465
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 19 september 1996 heeft appellant gedaagde met ingang
van het derde kwartaal van 1996 tweevoudige kinderbijslag geweigerd voor
haar zoon C, geboren in 1981.
Bij beslissing op bezwaar van 25 juli 1997, het thans bestreden besluit,
heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 19 september 1996
ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 26 juni
1998 het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat
besluit vernietigd, en daarbij appellant opgedragen binnen twaalf weken
na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen met
inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Voorts heeft de
rechtbank een proceskostenveroordeling en griffierechtvergoeding
uitgesproken.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in
hoger beroep gekomen van de uitspraak van 26 juni 1998.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 februari
2000, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Roose,
werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank, en waar gedaagde in persoon is
verschenen, bijgestaan door mr. B. Brouwers, werkzaam bij het Buro voor
Rechtshulp te Breda.
II. MOTIVERING
Gedaagdes zoon C verbleef sedert 12 juni 1996 in Huize X te Y, een
internaat voor geďntegreerde hulpverlening, alwaar hij ook onderwijs
volgde. Gedaagde heeft aan appellant medegedeeld dat C naar aanleiding
van een onderwijs- en hulpvraag aangewezen was op onderwijs in een
vakinternaat. De consulent leerplichtzaken van de gemeente Breda, B.F.
Veltman, heeft dit bevestigd in een brief van 3 september 1996.
Appellant heeft het besluit van 19 september 1996 doen steunen op de
overweging dat de belangrijkste reden voor het uitwonend zijn van C niet
het volgen van onderwijs is. Na bezwaar heeft appellant dit standpunt
gehandhaafd bij het bestreden besluit. Mede op basis van het van Huize X
ontvangen aanmeldingsformulier van C, is appellant van mening dat de
primaire reden voor het uitwonend worden van C niet is gelegen in
studieredenen, maar in de opvoedings- en gedragsproblemen die hieraan
vooraf zijn gegaan.
In beroep heeft gedaagde aangevoerd dat de primaire reden om C te
plaatsen in Huize X juist het feit is dat hij daar de mogelijkheid heeft
zijn school af te maken. In het reguliere onderwijs kon C niet geplaatst
worden, hij is geplaatst in Huize X omdat hij anders geen onderwijs kon
volgen.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, onder de overweging dat
appellant een onjuiste uitleg geeft aan de jurisprudentie van de Raad
met betrekking tot dit onderwerp. Volgens de rechtbank dient er wel een
causaal verband te bestaan tussen het uitwonend zijn en het volgen van
onderwijs, doch een verdergaande eis, daaruit bestaande dat de primaire
reden voor het uitwonend zijn moet zijn gelegen in het volgen van
onderwijs, stelt de Raad niet, aldus de rechtbank. Voorts heeft de
rechtbank vastgesteld dat aan het vereiste causaal verband is voldaan,
waarna het beroep gegrond is verklaard en het bestreden besluit is
vernietigd.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de voorwaarde van het
bestaan van een causaal verband tussen het volgen van onderwijs en het
niet tot het huishouden behoren, betekent dat vastgesteld dient te
worden dat het uitwonend zijn primair het gevolg is van het volgen van
dat onderwijs. Van een causaal verband in hierbedoelde zin is volgens
appellant geen sprake. Met name uit het inschrijfformulier van Huize X
blijkt dat de problemen op school niet los kunnen worden gezien van de
problemen die C thuis heeft, en dat met de plaatsing van C in Huize X
werd beoogd hem meer hulp te bieden bij het afronden van zijn studie,
het ontwikkelen van zijn sociale vaardigheden en het omgaan met vrije
tijd. Appellant is van oordeel dat het vereiste causaal verband slechts
aanwezig zou zijn geweest, indien de problemen die C had op school, los
van de problemen die hij in de thuissituatie ondervond, ook zouden
hebben geleid tot plaatsing in Huize X.
De Raad overweegt als volgt.
In geschil is uitsluitend het antwoord op de vraag of C door of in
verband met het volgen van onderwijs ten tijde van belang niet tot het
huishouden van gedaagde behoorde. Om die vraag bevestigend te kunnen
beantwoorden, dient er sprake te zijn van een causaal verband tussen het
volgen van onderwijs en het uitwonend zijn. Hiervan is sprake indien de
primaire reden van het uitwonend worden gelegen is in het volgen van
onderwijs.
De plaatsing van C in Huize X is veroorzaakt door een samenstel van
redenen, bestaande uit zowel opvoedingsproblemen als problemen op
school. De consulent leerplichtzaken Veltman vermeldt in de brief van 3
september 1996 dat er vanaf het eerste jaar dat C middelbaar onderwijs
volgde sprake was van problemen op school. De combinatie van de
onderwijsvraag en hulpvraag heeft ertoe geleid dat C niet meer geplaatst
kon worden in het reguliere onderwijs. Huize X is een vakinternaat waar
school en pedagogische aanpak nauw op elkaar zijn afgestemd, aldus
genoemde consulent leerplichtzaken. Gedaagde heeft naar appellant toe
ook telkenmale aangegeven dat zowel de opvoedings- als leerproblemen
redengevend zijn geweest voor de plaatsing van C in Huize X. Het
aanmeldingsformulier voor Huize X maakt eveneens melding van
gedragsproblematiek die zich zowel thuis als op school (in ernstige
mate) voordeed, en dat de situatie op school is geëscaleerd, waarna hij
van school is verwijderd.
Vast staat derhalve dat er sprake is van een verband tussen het volgen
van onderwijs en het uitwonend worden van C, die ten tijde van belang
leerplichtig was. Nu voorts, gelet op de nauwe verwevenheid van de
opvoedingsproblematiek met de problemen die zich op school voordeden,
niet gezegd kan worden dat er ten opzichte van de motieven die zijn
ingegeven door het volgen van onderwijs een andere doorslaggevende
reden is aan te wijzen voor het uitwonend worden van C, is de Raad van
oordeel dat niet gezegd kan worden dat het vereiste causaal verband
ontbreekt.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd. Van appellant wordt een recht geheven van f 675,-. Voorts
wordt appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde, vast te
stellen op f 1.420,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep,
alsmede reiskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van f 38,-.
Die kosten dienen in verband met het bepaalde in artikel 8:75, tweede
lid, van de Algemene wet bestuursrecht te worden voldaan aan de griffier
van de Raad.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van appellant een recht wordt geheven van f 675,-;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep,
begroot op f 1.420,- aan kosten van rechtsbijstand en f 38,-
reiskosten, te betalen aan de griffier van de Raad.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr.
T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1
maart 2000.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|